Wat is de betekenis van poort?

2020
2021-09-19
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

poort

1) (16e eeuw) (inf.) (meestal verkleinvorm) anus. 'Ergens zijn poort aan vegen' betekende in de 16e eeuw: ergens maling aan hebben. 'Geen papier meer hebben om zijn poort aan te vegen': straatarm zijn. Bij uitbreiding betekende 'poort' ook: zitvlak, achterste. • Doch 't is al om niet é sprooke, z'Heeft 'er poortje al é looke, Och...

Lees verder
2018
2021-09-19
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

poort

poort - zelfstandig naamwoord 1. doorgang in een muur ♢ we liepen door een poort en kwamen in de tuin 1. iets voor de poorten van de hel wegslepen [op het nippertje redden] 2. d...

Lees verder
2001
2021-09-19
Internet woordenboek

Uitgave 2001 [draft]

poort

zie port.

1992
2021-09-19
Symbolen

Hans Biedermann

poort

veelal niet slechts de ingang zelf symboliserend maar ook wat erachter schuilgaat, de mysterieuze macht (verg. ‘Verheven Porte’ als zinnebeeld voor de macht van de Turkse sultan, de ‘Poorten van de Hel’, de ‘Hemelpoort’ Maria). Poort en deur kenmerken zoals de brug de overgang het binnentreden in een wezenlijke r...

Lees verder
1990
2021-09-19
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

poort

poort - Doorgangen door hekken of muren die twee aparte ruimten scheiden, of de bouwwerken of ornamentele constructies die zulke doorgangen afsluiten. Gebruik 'poortgebouwen' voor toegangsgebouwen die ook ruimte bieden aan een woning of stallen e.d.

1977
2021-09-19
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans

poort

poort - vagina (vgl. (middel)deur). Ook ’s levenspoortje. Maer dat ik (t.w. als kind) slechts wat billegatjen speelden En 's levenspoortjen met verwondering besag, en wist en niet en wist wat daer verholen lag, v. MERWEDE v. KL., R. Mintr. 135 [1651].'k Zal hem ten allen tijd tot uwen dienst verkenen, Maakt maar dat ’s morgens...

Lees verder
1973
2021-09-19
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

poort

[→Lat.], v./m. (-en), 1. (al of niet gewelfde) doorgang in een muur of andere omheining, in beginsel van aanzienlijke afmetingen, al of niet met (zware) afsluiting: de van een kasteel; soms m.n. tuinpoort; (ook) grote toegangsdeur tot een gebouw; (fig.) toegang, doorgang: de tot succes; doorgang tussen bergen, pas; de poorten sluiten, (oneig.)...

Lees verder
1958
2021-09-19
Encyclopedie van Friesland

Encyclopedie van Friesland (1958) onder redactie van Prof. Dr. J.H. Brouwer

POORT

Vele boerderijen hebben vroeger een P. of P.en gehad, die toegang tot het erf gaven. Om dit erf was vaak een dubbele gracht. De boerderijen werden P.-plaatsen (Fr.: poartepleatsen) genoemd. Enkele resten zijn er nog: de P. van Liauckamastate (Sexbierum), Groot-Deersum (Achlum), Uniastate (Beers), Jongemastate (Rauwerd), Sjuxmastate (Waaksens Westdo...

Lees verder
1952
2021-09-19
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Poort

s., poarte.

1950
2021-09-19
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Poort

I. (<Lat.), v. (-en), 1. doorgang in een muur of andere omheining: de poort van een kasteel; een roodgeschilderd poortje; 2. ben. voor een verzameling kleine, armoedige woningen achter de gewone huizen van een straat gebouwd en waarheen men slechts door een nauwe steeg toegang heeft: de meeste poorten te Scheveningen zijn zeer ongezond; 3. ond...

Lees verder
1933
2021-09-19
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Poort

Groote, overdekte toegangsopening tot een ombouwde ruimte. Aanvankelijk vooral een motief uit de mil. bouwkunst. Van de Romeinen dateert het gebruik van de p. als vrijstaand monument (→ Triomfboog), welk motief door de Barok en het Klassicisme is overgenomen (Parijs).

Lees verder
1898
2021-09-19
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Poort

Poort - v. (-en), doorgang, ingang : de poorten der stad; de poort van een kasteel; eerepoort; — de Westfaalsche poort, doorgang tusschen twee bergen; — nauwe toegang tot een hofje; — verzameling kleine arbeiderswoningen, doorgaans in zeer slechten toestand, welke achter de gewone huizen aan de straat gebouwd zijn en waarheen me...

Lees verder