Wat is de betekenis van Pol?

2022
2023-02-07
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster

pol

(16e eeuw) (Barg.) vrouwenjager (Everaert. 1510); hoerenloper; minnaar (bij Huygens. 1627); souteneur, hoerenwaard. In deze laatste betekenis citeert het WNT o.a. C. van Ghistele (Terentius Comedien. 1555): “Ic meynde dat hy was, al een ander man Jae en een milder pol.” In de gouden eeuw betekende polletje ook: vriend, makker (zie citaa...

Lees verder
2020
2023-02-07
Meertens Instituut

Nederlandse Voornamenbank

Pol

Verkorting van bijvoorbeeld Apollonius, Leopold of Polydoor. In België wordt hij ook gebruikt voor Paul (onder invloed van de Franse uitspraak). Daarnaast kan het een vleivorm zijn uit de kindertaal, waarin de p allerlei medeklinkers kan vervangen (vergelijk Poi).

Lees verder
2019
2023-02-07
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

Pol

Pol - Eigennaam 1. (mannelijke naam) jongensnaam

Lees verder
2018
2023-02-07
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

pol

pol - zelfstandig naamwoord 1. sprieten van een plant met een kluit aarde eraan ♢ ze had een pol madeliefjes uitgegraven Zelfstandig naamwoord: pol de pol de pollen het polletje...

Lees verder
2017
2023-02-07
Prostituees en pooiers

Jargon & Slang van Prostituees en pooiers

Pol

Pol - Amsterdamse benaming voor een souteneur. Sinds de 17de eeuw.

1981
2023-02-07
Zuidnederlands Woordenboek

Schrijver op Ensie

pol

Klein, poezelig, mollig handje (van een kind); - ook: hand (in ’t alg.); iem. een pol geven, een hand geven, goeiedag zeggen (bij het afscheid e.d.); (een) schone pol, ter aand. van de rechterhand (in tegenst. tot de linkerhand: de lelijke pol): geef eens uwe schone pol aan de nonkel; zijn pollen gaan wassen, ook:...

Lees verder
1977
2023-02-07
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans

pol

pol - de betekenissen van dit woord zijn legio: vrijer; vrouwenjager; bordeelhouder; minnaar van een getrouwde vrouw. De Hoer, en de Pol, heeten Nicht en Cosyn, OGIER, Seven Hoofts. 191 [1647]. Ann’ speelde met een’ Poll, en, soo se hoorde kloppen, 5V meinde 't was haer mann, HÜYGENS 2, 76 [1650].

Lees verder
1973
2023-02-07
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

pol

m. (-len), 1. samenhangende kluit planten met de wortels en de aardkluit eraan: een — gras, dotterbloemen, violen; 2. (gew.) handje, kinderhand: geef mij een polleke.

Lees verder
1969
2023-02-07
Pieter Scheen

Rode Scheen: Lexicon Nederlandse beeldende kunstenaars 1750-1950

Pol

Pol - zie A. A. Mees.

1964
2023-02-07
voornamen

Voornamenboek

Pol

m Verkorting van bijv. Apollonius, Leopold of Polydoor. In België wordt hij ook gebruikt voor Paul. Daarnaast kan het een vleivorm uit de kindertaal zijn, daarin kan de p namelijk allerlei medeklinkers vervangen (vgl. Poi).

Lees verder
1955
2023-02-07
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Pol

(Barg.) minnaar van een getrouwde vrouw; souteneur

1952
2023-02-07
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Pol

s.; (gras), pôlle.

1951
2023-02-07
Duits woordenboek (DU-NL) 1951

Dr. H. W. J. Kroes

Pol

pool, aspunt.

1949
2023-02-07
Woordenboek Latijn

Geschreven door Dr. J.F.L. Montijn

Pŏl

interi. bij Pollux! waarachtig!

1937
2023-02-07
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

pol

I. m. pollen, polletje (stronkje; samengegroeide klomp planten): een pol gras. II. m. pollen, polletje (Z.-N. handje).

Lees verder
1937
2023-02-07
Woordverklaring

Dr. L.M. Metz - 1937

Pol

In het algemeen is een pol een hoogte, een heuveltop; vandaar, dat vele hoeven en buitenplaatsen „De Pol” heeten, wanneer zij op een hoogte gebouwd zijn. Bij het planten van boomen wordt er voor gezorgd, dat de plant niet dieper komt te staan dan oorspronkelijk. Om echter de plant vaster te zetten, hoogt men tijdelijk den grond rondom d...

Lees verder
1933
2023-02-07
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Pol

1° Max J. M. van, Ned. journalist en lid der Tweede Kamer. * 24 Febr. 1881 te Roosendaal (N.-Br.). Werkte als redacteur achtereenvolgens aan de Maasbode en de Gelderlander, en als hoofdredacteur aan de Geldersche Koerier, de N. Haarl. Crt., het Limb. Dagblad, de Nieuwe Eeuw en de Morgen. In 1929 werd hij lid der Tweede Kamer voor de R.K. Staa...

Lees verder
1930
2023-02-07
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

pol

m. (-len; -letje) [~ bol] samenhangende klomp planten met door elkaar gegroeide wortels en een aardkluit eraan: een vergeet-mij-nietjes.

1914
2023-02-07
De vreemde woorden

De vreemde woorden, verklarend woordenboek door Fokko Bos.

pol

pol - m., (argot) minnaar van een getrouwde vrouw; overspeler.

1870
2023-02-07
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Pol

Pol (Winzenz), een Poolsch dichter, geboren in 1807 nabij Lublin, studeerde te Wilna, nam deel aan den vrijheidsoorlog van 1830, verliet het land, vestigde zich in Galicië, en werd in 1848 hoogleeraar aan de universiteit te Krakau. Daar deze kort daarna opgeheven werd, vertrok hij naar Lemberg en hield er voorlezingen over Poolsche letterkunde, wel...

Lees verder