Wat is de betekenis van Poken?

2020
2021-09-19
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

poken

1) (1964) (inf.) penetreren; neuken. • In de vooravond had ik ’n paar sticks gerookt, daardoor had ik me urenlang alleen maar met mezelf en met de situatie beziggehouden, en was ik eigenlijk ook niet zo geïnteresseerd in poken geweest, maar nu was de kick voorbij en ik besloot er toch even aan te gaan denken. (Jan Cremer: Ik Jan Cre...

Lees verder
2019
2021-09-19
Ewoud Sanders

Taalhistoricus en journalist.

poken

geslachtsgemeenschap hebben In 1971 voor het eerst aangetroffen, in een literaire tekst. • Uit de wc klinkt genotzuchtig grommen vermengd met angstige maar gesmoorde kreten. Terwijl ie haar stond te poken, hield ie haar hoofd in de closetpot en trok door. Zo hield ie haar in bedwang. ¶ Paul Rollman, Paul Rollman blijft ademhalen (1971), p....

Lees verder
1973
2021-09-19
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

poken

(pookte, heeft gepookt), met een staaf (pook) in de kachel of het vuur stoken, peuteren; porren; ook wel voor het doorschudden van het rooster.

1952
2021-09-19
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Poken

v., pookje, poke.

1950
2021-09-19
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Poken

(pookte, heeft gepookt), met een staaf (pook) in de kachel of het vuur stoken, peuteren; porren: in de kachel poken; — ook wel voor het doorschudden van het rooster.

1898
2021-09-19
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Poken

Poken (pookte, heeft gepookt), met een pook in de kachel of het vuur roeren.