Poffen
I. (pofte, heeft gepoft), 1. met een doffe slag op de grond neerkomen of doen neerkomen: hij pofte op de grond; iem. op de grond poffen; 2. kloppen, duwen ; met gebalde vuist stompen uitdelen: hij poft er maar op, alsof dat geen zeer doet; 3. paffen, schieten ; 4. in de hete as of op een plaat braden: boontjes, aardappelen, kastanjes poffen. II....