Wat is de betekenis van poep?

2020
2021-10-19
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

poep

1) (1932) (als voorvoegsel) (oorspr. sold.) erg, zeer, in hoge mate. Zie ook: poepie (5)*. • Ik moet nou oppassen, overlei hij: anders ben ik zó een poepfijne mieter. (Herman de Man: Maria en haar timmerman. 1932) • En omdat alles een schaduwkant moet hebben, hoest zij af en toe poep-eng. (Wim Kan: De dagboeken 1957-1968. De radio...

Lees verder
2018
2021-10-19
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

poep

poep - zelfstandig naamwoord 1. onverteerd voedsel dat via je anus naar buiten komt ♢ er zit weer hondenpoep aan mijn schoen 1. in een poep en een scheet [heel snel] 2. iemand e...

Lees verder
2017
2021-10-19
Soldaten

Jargon & Slang van Soldaten

Poep

Poep - grote hoeveelheid, groot aantal. Ook als eerste lid van een samenstelling in de betekenis van erg, heel. Vb.: poepvriendelijk, poepzuur.

2015
2021-10-19
Typisch Vlaams

Door Ludo Permentier en Rik Schutz

poep

achterwerk, bips, kont (informeel) Hij zette de deur geruisloos op een kier, zag een geheel veranderde mevrouw De Keersemakere die achter Rudy geknield zat, hem onhandig omvatte, smachtend drukte met haar gezicht tegen zijn poep, snoof en opnieuw kreunde van vervoering of begeerte. (Astère Michel Dhondt, God in Vlaander...

Lees verder
2010
2021-10-19
Dokterswoordenboek

Ruim 2300 medische begrippen, omschreven door Jannes van Everdingen en Arnoud van den Eerenbeemt

poep

Onverteerde resten van voedsel die aan het einde van het spijsverteringskanaal overblijven en via het poepgaatje (de anus) naar buiten worden gewerkt. In poep zitten ook veel dode bacteriën (in je darmen leven miljoenen goede bacteriën), afgeschilferde darmwandcellen en stoffen die het lichaam in de darm afscheidt, zoals galkleurstoffen. Zonder dez...

Lees verder
2004
2021-10-19
vogelnamen

Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen

Poep

(1) Friese volksnaam voor de Meerkoet [De Vries 1912; 1928; Zantema 1992]. Albarda 1897 noemt de naam niet. Het woord betekent ook 'Duitser' of 'Groninger' [De Vries 1928 p.116]. Als scheldnaam hanteert ook de uitgescholdene de naam weer: zo is poep bij de Groninger een scheldnaam voor een Duitser (deze komt uit 'Poepmlaand...

Lees verder
1997
2021-10-19
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

poep

zie bloedpoep, spetterpoep.

1980
2021-10-19
Van aalmoes tot zwijntjesjager

Geschreven door Dr. E. Schröder, 1980

Poep

Poep is: uitwerpsel, maar vroeger was het grammaticaal ook een tussenwerpsel in de betekenis: ’t mocht wat, dat dacht je, och kom. In Hoofts Warenar zegt de oude gedienstige tot de vrek: ’t Geluk zou hier aan de deur kloppen? Poep! In het Bargoens wordt poep gebruikt in de betekenis geld. De combinatie vindt men al bij Ezeltje strek je:...

Lees verder
1973
2021-10-19
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

poep

m. (-en), 1. wind: een — laten; iemand een poep je (poepie) laten ruiken, hem versteld doen staan, hem eens iets anders laten horen; 2. een hele — geld, een heleboel; 3. poepie, gering aantal.

Lees verder
1958
2021-10-19
Encyclopedie van Friesland

Encyclopedie van Friesland (1958) onder redactie van Prof. Dr. J.H. Brouwer

POEP

zie Fijndoekspoep, Hannekemaaier, Lapkepoep, Vreemde bevolkingselementen.

1950
2021-10-19
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Poep

I. m. (-en), 1. wind, veest: een poep laten; een poep je laten vliegen; 2. poepelderij. II. v., g. mv., drek, vuil: in de poep trappen. III. v. (-en), (Zuidn.) achterste, aars: op zijn poep krijgen. IV. m. (-en), scheldnaam voor iem. van een bep. groep van mensen die men beschouwt als onbeschaafder dan zichzelf, inz. : 1. mof, Westfaler; 2....

Lees verder
1949
2021-10-19
Boevenjargon

Geschreven door Professor Henry Roskam

poep

mof (Duitser); achterste (bil); aardappel.