Poel
I. m. (-en), moeras, stilstaand water, vijver; —(fig.) zich wentelen in een poel van onreinheid; de poel der hel. II. m. (-en). poeleke. III. v. (-en), 1. (gew.) jonge eend ; 2. (Zuidn.) jonge kip ; 3. liefkozende benaming voor een meisje of voor kinderen: o! melieve poeleke (begin van een vroeger bekend versje).