Wat is de betekenis van plus?

2018
2022-12-07
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

plus

plus - bijwoord, voorzetsel, zelfstandig naamwoord 1. wat positief is, boven nul ♢ het is plus 21 graden Celsius 1. 40+ kaas [met minstens 40 procent vet] 2. 65 plus ...

Lees verder
1998
2022-12-07
drs. Toine van Hoof

AUTEUR VAN HET BRIDGE WOORDENBOEK - "BRIDGE OPZOEKBOEK" (UITGAVE 1998)

plus

1. Aanduiding (met het teken +) bij een score ter benadrukking dat deze positief is. 2. In de uitdrukking ‘plus scoren’ op een spel: een positieve (niet noodzakelijkerwijs gunstige) score boeken. 3. In de uitdrukkingen ‘in de plus staan’ en ‘plus hebben’: vermoedelijk voorstaan (op de tegenstanders in een viertallenwedstrijd). Zie ook: min

Lees verder
1973
2022-12-07
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

plus

[Lat.], I. vz., aanduiding (als teken door het symbool: +) dat de som van de genoemde grootheden genomen moet worden: twee plus drie is vijf; (bij uitbreiding) te vermeerderen of vermeerderd met: zes gulden — omzetbelasting; — onkosten; II. bw., aanduiding dat de genoemde grootheid als positief beschouwd wordt: + a, een waarde a, grote...

Lees verder
1955
2022-12-07
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Plus

meer; een plus: een overschot, een teveel.

1952
2022-12-07
Frans woordenboek (FR-NL) 1950

Dr. F.P.H. Prick van Wely

Plus

I. meer; plus grand, groter; le plus grand, de grootste; (tout) au plus, op zijn hoogst; c'est tout au plus s'il a le temps de..., hq heeft nauwelijks tijd om...; bien plus, veel meer, veel erger (nog); de plus, er nog bij; verder, bovendien; méér; rien de plus, verder niets; de plus en plus, hoe langer hoe meer; de plus en...

Lees verder
1951
2022-12-07
Woordenboek Engels (EN-NL) 1951

Dr. F.P.H. van Wely

plus

I. plus; II. extra; positief; III. plusteken.

Lees verder
1951
2022-12-07
Duits woordenboek (DU-NL) 1951

Dr. H. W. J. Kroes

Plus

plus, overschot.

1950
2022-12-07
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Plus

I. PLUS, v., (Zuidn.) pluis, vezels. II. PLUS (Lat.), I. vz., (rek. en wisk.) aanduiding (als teken door een +) dat de som der genoemde grootheden moet genomen worden : twee plus drie is vijf; a plus b; (bij uitbr.) te vermeerderen of vermeerderd met: zes gulden plus omzetbelasting; plus onkosten; II. bw., aanduiding dat de geno...

Lees verder
1949
2022-12-07
Woordenboek Latijn

Geschreven door Dr. J.F.L. Montijn

Plūs

zie multus.

1948
2022-12-07
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

plus

(Lat. en Fr.) meer; en; geteld bij; vermeerderd met (+); een ~, een overschot, te veel, hoger bedrag.

1939
2022-12-07
Vreemde woorden in de wiskunde

Dr. E.J. Dijksterhuis - 1939

Plus

(Lat. comp. van multus — veel). Als term voor de bewerking optellen in gebruik sedert ca. 1500.

1937
2022-12-07
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

plus

I. (Lat. meer; + of staand kruisje: toegevoegd aan, bijgeteld bij; in de rek. en alg. optelteken; ook: positiefteken, tegenstelling v. het minteken; natuurk. boven) 1. bw.: Maastricht ligt 43 m + A. P., boven Adams peil; 2. zn. o.: zet hier een plus, plusteken; dit plus komt van pas, overschot. II. v. (Fr. peluche: Z.-N. pluche; Z.-N. pluis[je], i...

Lees verder
1930
2022-12-07
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

plus

I. bw. [Lat.] 1. Wisk. toegevoegd aan, bijgeteld bij: 2 + 5 = 7; + of plus is het optelteken. 2. boven: 40 m + A. P., boven Amsterdams Peil. 3. Natk. boven nul: +6° C., 6 graad Celsius boven nul. 4. teken van positieve elektriciteit. Tgst. minus. II. m. en o. 1. Eig. teken plus ( + ): zet hier een -. 2. Metn. [wat door 1 wordt uitgedrukt...

Lees verder
1914
2022-12-07
De vreemde woorden

De vreemde woorden, verklarend woordenboek door Fokko Bos.

plus

plus - meer; „een plus”: een overschot, een te veel.

1910
2022-12-07
Handelslexicon

Handelslexicon (1910) door J. Hagers

Plus

Plus - bovendien, overschot, de tegenstelling van minus of minder.

1908
2022-12-07
Vivat

Schrijver op Ensie

Plus

(lat., de vrome, ital. Pio, fransch Pie) naam van een tiental pausen: 1) P. I, de heilige, zetelde op den pauselijken stoel van ongeveer 141—157; de hem toegeschreven Deeretalen zijn alle onecht. De toestand der rom. gemeente in zijn tijd wordt geschetst in het boek Pastor van zijn broeder Hermas. Feestdag 11 Juli. 2) P. II, paus van 1458&mda...

Lees verder
1906
2022-12-07
wink

Wink's vreemde woordenboek

Plus

zelfst. nmw. Lat., overschot, te veel.

1898
2022-12-07
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Plus

Plus bw. (wisk.) een staand kruisje, tusschen twee grootheden geplaatst, dat aanduidt, dat de som der genoemde grootheden moet genomen worden; ook dient het om gezamenlijk met het teeken minus ( —) twee tegenovergestelde toestanden aan te duiden: + 15° is die boven het nulpunt van den thermometer; — 15° even zooveel graden daar...

Lees verder
1870
2022-12-07
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Plus

Plus (+) is een rekenkunstig en algebraïsch teeken, dat, tusschen 2 grootheden geplaatst, aanduidt, dat de som dier grootheden moet genomen worden. Ook bezigt men het teeken om een tegenovergestelden toestand voor te stellen van dien, welke door het teeken minus (—) wordt aangewezen. Bijv. de thermometergraden met het teeken + zijn die boven, en de...

Lees verder
1864
2022-12-07
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Plus

Plus, bijw. (wisk.) meer, aangeduid door het teeken +, positief. *- MINUS, bijw. min of meer, aangeduid door het teeken ±. *-MAKERIJ, v. te hooge opvoering der belastingen; oneerlijke praktijken.

Lees verder