2019-09-15

Plak

1. een - lood op de kop hebben,Bargoense uitdr. uit het begin van deze eeuw voor ‘dronken zijn’. 2. een -je leggen,studentenslang voor ‘kotsen’. Jaren tachtig. Syn. over zijn nek gaan.

Lees verder
2019-09-15

plak

plak - zelfstandig naamwoord 1. korte stok waarmee de meester vroeger de kinderen sloeg ♢ als je stout was, kreeg je met de plak 1. onder de plak zitten [niets te vertellen hebben] 2. een dunne schijf ♢ ik kreeg een plakje worst van de slager 1. een plak w...

Lees verder
2019-09-15

Plak

Plak v. (-ken), schijf van een appel, van vleesch, ham enz.: neem nog een plakje ham; — breede, dunne lineaal, die vroeger in de school als strafwerktuig dienst deed; slag met zulk eene plak; — slag in het algemeen: geef hem liever wat plakken om de ooren; — de plak voeren, de baas ergens zijn, er het meeste te zeggen hebben; — hij staat onder de plak van zijne vrouw, zij is hem de baas; — (fig.) er de plak op leggen, kastijden; — iem. onder de plak houden, in bedwang houden; — ond...

Lees verder
2019-09-15

plak

plak - m. (argot) halve stuiver.

2019-09-15

plak

halve stuiver.