Wat is de betekenis van plaat?

2022
2022-10-06
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2022.

plaat

1) (1922) (Barg.) gezicht. Zie ook: 'op zijn plaat gaan'. • De kapiteineman rimpelde zijn voorplaat en krabde zich leukjes in de steile pruik. (Israël Querido: De Jordaan: Amsterdamsch epos. Deel 3: Manus Peet. 1922) • Plaat: voorhoofd. Zijn plaat kleuren: zijn gezicht rood slaan. (E.G. van Bolhuis: De Gabbertaal. 1937) • &lsq...

Lees verder
2020
2022-10-06
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

plaat

Het begrip plaat heeft 7 verschillende betekenissen: 1) plat stuk materiaal. plat, dun en meestal rechthoekig of vierkant stuk of voorwerp van hard materiaal. 2) afbeelding. afbeelding, al of niet in kleur, bijvoorbeeld als illustratie of beeld in een boek of in een strip of voor aan de muur. 3) grammofoonplaat. rond voorwerp...

Lees verder
2018
2022-10-06
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

plaat

plaat - zelfstandig naamwoord 1. groot plat stuk van hard materiaal ♢ het dak bestaat uit een houten plaat 1. een druppel op een gloeiende plaat [iets wat nauwelijks effect heeft] ...

Lees verder
2017
2022-10-06
Wielrenners

Jargon & Slang van Wielrenners

Plaat

Plaat - versnelling. 'De grote plaat ronddraaien': met een grote versnelling rijden. Fr. plateau, soucoupe, la grosse mécanique.

2010
2022-10-06
Wielerwoordenboek

Geschreven door Fons Leroy en Wim van Rooy

plaat

plaat: tandwiel, kettingblad.

2009
2022-10-06
Wielersportwoordenboek

Wielersportwoordenboek door Jan Luitzen ©

plaat

(de; platen) - tandwiel aan de trap as: de grote, kleine plaat draaien, duwen, met een grote, kleine versnelling rijden. • Na de eerste bochten voelt Pieter Weening dat hij superbenen heeft. De grote plaat wentelt vlot rond. De hellingen van de Schlucht zijn niet steil. Precies zoals Weening dat graag heeft. Dus valt hij zoals gebruikelijk vroeg aa...

Lees verder
2004
2022-10-06
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema

plaat

- platen (laten) nemen, röntgenfoto's (laten) maken. ‘Ik kwam eigenlijk mijn vrouw ophalen, want die moest een paar dagen in het ziekenhuis verblijven. Toen ik vanmorgen buiten kwam, gleed ik uit en nu zit ik hier zelf te wachten. Ze willen nog platen nemen en volgende week moet ik al opnieuw op controle komen. Het ziet er ni...

Lees verder
1990
2022-10-06
BDI

BDI terminologie

plaat

doorgaans op speciaal papier afgedrukte foto, ets, gravure of ander illustratiemateriaal, toegevoegd aan de gepagineerde tekst maar daarvan geen deel uitmakend.

1973
2022-10-06
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

plaat

v./m. (platen), 1. plat, hard, stuk van een bepaalde stof in velerlei vorm, maar van geringe dikte in verhouding tot de grootte, voor allerlei doeleinden: een marmeren, een glazen plaat; stalen platen voor de pantsering van een schip; 2. dekblad van verwarmingstoestellen: op een fornuis; haardplaat; (zegsw.) het valt als een druppel (water) op een...

Lees verder
1954
2022-10-06
Agrarisch

Agrarisch Encyclopedie

Plaat

is het brede deel van een in een smalle nagel uitlopend bloemkroonblad, zoals het geval is bij de anjer. Onder p. verstaat men bij de dieren de brede bekkenband, die van het kruisbeen naar het darmbeen en het zitbeen loopt en het plafond van de bekkenholte helpt vormen (z. Geraamte).

Lees verder
1952
2022-10-06
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Plaat

s., plaet, pleat; dun metalen —, leaf (it); depoetsen, de wyk, fan ruten spylje, de flint skouwe.

1950
2022-10-06
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Plaat

v. (platen), 1. plat, hard, langwerpig of vierkant stuk van een bepaalde stof van geringe dikte in verhouding tot de grootte: een marmeren plaat; lood in platen; stalen platen voor de pantsering van een schip; een koperen plaat op een deur; platen zoolleer; 2. stootplaat van een degen of sabel: de platen der sabelkop...

Lees verder
1949
2022-10-06
De Kleine Winkler Prins

Encyclopedie van A tot Z - 1949

Plaat

handelsvorm voor de fotografische, lichtgevoelige emulsie op glas; dient voor het vervaardigen van positieven en negatieven.

1937
2022-10-06
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

plaat

I. v. platen (o.-Fr. plate = plat voorwerp: vlak en plat hard voorwerp of stuk van een bepaalde stof, van geringe dikte in verhouding tot de grootte, meestal vierkant; hieruit de bet. 1–4: 1 vlak stuk steen enz.; 2 geplet of gegoten blad van een of ander metaal; 3 voorwerpen van dergelijke gedaante van allerlei andere stoffen gemaakt; 4 met b...

Lees verder
1930
2022-10-06
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

plaat

(pla:t) v. (platen; -je) [Mlat. platus, plat] I. Eig. 1. Algm. plat, veelal vierkant stuk, blad van een bepaalde stof: een eiken, glazen, ijzeren, koperen, lederen, marmeren, porseleinen, stalen, stenen -; de onder een ➝ kachel; haard-, muur-, naam-, schoorsteen-, stootplaat; de (wijzer)van een ➝ horloge; een met inschrift op een ➝ graf. 2. Inz....

Lees verder
1911
2022-10-06
pluim

Keur van Nederlansche woordafleidingen

Plaat

(plat vlak; ook teekening), ’t Lat. plata en dit van platus = plat, vlak.

1898
2022-10-06
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Plaat

Plaat v. (platen), geplet stuk metaal, gewoonlijk rechthoekig en vrij dun, dienende om iets te dragen of iets steviger te maken: schoorsteenplaat; plaat op een fornuis; haardplaat onder den schoorsteen; — dekstuk van een slot, van een geweerkolf, van een koppel; — (spr.) de plaat poetsen, aan den haal gaan, wegloopen, (ook) wegblijven...

Lees verder
1864
2022-10-06
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Plaat

Plaat, v. (platen), geplet stuk metaal; gereedschap om iets in den oven te bakken; haardvloer onder den schoorsteen; plat en breed stuk marmer; dekstuk van een slot; achter- of onderstuk eener drukpers; wijzerbord; groot en plat houten belegstuk of plank; (aardr.) zandbank; (grav.) koper -, staal -, steen waarop gegraveerd of geteekend is; afdruk,...

Lees verder
1856
2022-10-06
Jacob van Lennep

Zeemans-woordenboek 1856

Plaat

z.n.v. 1. Bank, zandbank. Droogeplaat (die zich boven de zee vertoont). Zandplaat. Nu is hier enkel sant en niet als dorre platen, Van slibber overgroeyt en van den vloet verlaten. Cats. Emblem. 2. Regel, bodemplank.

Lees verder