Wat is de betekenis van Piet?

2022
2022-12-04
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2022.

piet

1) (19e eeuw) (stud.) bluffer; (iron.) knappe kerel. • Flanor, jongen! je bent een Piet! (Johannes Kneppelhout: Studenten-typen. 1839-1841) • Piet (Een -, (stud.), iemand, die zich heel wat inbeeldt en bluft; ook ironisch: een knappe kerel. (Taco H. de Beer en E. Laurillard: Woordenschat, verklaring van woorden en uitdrukkingen. 1899) &...

Lees verder
2020
2022-12-04
Meertens Instituut

Nederlandse Voornamenbank

Piet

Verkorte vorm van Petrus (mannelijk). Ook vrouwelijke naam, dan verkorting van Petronella (Zuid-Nederland en Zuid-Beveland). Piet (mannelijk) als 'Hollandse' vorm ook in het huidige Denemarken.

2019
2022-12-04
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

Piet

Piet - Eigennaam 1. (mannelijke naam) jongensnaam

Lees verder
2018
2022-12-04
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Piet

Piet - zelfstandig naamwoord 1. jongensnaam ♢ mijn broer heet toevallig Piet 1. Zwarte Piet [de knecht van Sinterklaas] 2. voor Piet Snot staan ...

Lees verder
2017
2022-12-04
Matrozen en mariniers

Jargon & Slang van Matrozen en mariniers

Piet

Piet - (mar.) pijper of fluitspeler.

2017
2022-12-04
Ewoud Sanders

Taalhistoricus en journalist.

Piet

Net als Jan komt ook Piet in verschillende borrel namen voor. De aanwezigheid van Jan is goed te verklaren, omdat bij deze namen een spelletje wordt gespeeld met janever - een verbaste- ring van jenever. Het gebruik van de mansnaam Piet is minder duidelijk. Voor Zover bekend is de enige, duistere, poging tot verklaring te vinden bij P.J. Harrebomée...

Lees verder
2004
2022-12-04
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema

piet

(de, -en), pietje (het, -s) penis, mannelijk lid. - iemand bijzijn pietje hebben, iemand erin luizen, iemand beetnemen.- (veel) piet hebben, veel geluk hebben.

Lees verder
1998
2022-12-04
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Piet

luis, in de volgende uitdr. 1. als de -en,in hoge mate; erg. Syn. als de nete(n).Informele uitdr. Nou, dat was een linke bissenis, want die kast kraakte als de pieten. (Yvonne Keuls: Het verrotte leven van Floortje Bloem, 1982) De hele provincie Limburg is zo corrupt als de pie- te... (Trouw, 29/10/93) 2. krijg de-en,loop naar de duivel; je kunt...

Lees verder
1977
2022-12-04
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans

piet

piet - mann. lid; eig. ‘worm’ of ‘(kanarie)vogel’? (vgl., indien de laatste opvatting juist is: uil, vink, vogel). (Vermeld door de bo, corn.-vervl., teirl. en molema). Ook in de uitdr. piet in ’t hok, aanduiding voor sexuele gemeenschap (endt). Hierbij: pieterman, penis. Zie het citaat bij dobber (vgl. Jan, Sinterkla...

Lees verder
1973
2022-12-04
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

piet

m. (-en), (gemeenz.) 1. persoon, m.n. met een bep. bn.: ’s zondags is hij een hele piet, ziet hij eruit als een grote meneer; ik voel me weer een hele -, veel beter; de hoge pieten, hoge heren, die het voor het zeggen hebben; 2. iemand die veel weet, veel in zijn mars heeft: hij is een piet in taal en rekenen; ook zeurpiet, zanikpiet, keuken...

Lees verder
1964
2022-12-04
voornamen

Voornamenboek

Piet

m/v Verkorte vorm van Petrus (m.). Ook vr. naam, dan verkorting van Petronella (Zuid-Ndl. Zuid-Beveland). Piet (m.) als ‘Holl.’ vorm ook in het huidige De.

Lees verder
1963
2022-12-04
Surinaams woordenboek

J. van Donselaar

piet

(de, -en), gebr. in Nickerie) in een rijstpellerij het trechtervormige gat in de vloer dat de ingang is waardoor de padi in het proces wordt gebracht. - Etym.: Twee mogelijkheden: (1) Vgl. E pit = gat. (2) In Nickerie maakte men vroeger verhardingsmateriaal voor wegen door droge, venige klei te verbranden tot zg. ‘peat’ (van E peat = ve...

Lees verder
1950
2022-12-04
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Piet

I. 1. mansnaam, uit Petrus; — (in zegsw.) hij is altijd Pietje de Voorste, overal het eerst bij, (ook) bij alles voorbarig in zijn oordeel; — een Pietje Ongeduld-, iem. die in de hoogste mate ongeduldig is; — Piet Snot, iem. die niets te betekenen heeft; hij ziet er uit als Piet Snot, heel onnozel of...

Lees verder
1928
2022-12-04
Wat is dat?

Wat is dat? Encyclopedie voor jongeren (1938).

Piet

Het broertje van Jan. Met de familie Jan heb je kennis gemaakt: Jan Cordaat, Jan Contant, Jan Rap, Jan Salie — De familie Piet is lang niet zo uitgebreid. Zij zijn wel „hele Pieten”, maar ten slotte hebben zij ook minder aanzienlijke telgen: Piet Snot b.v., die bedenkelijk dicht bij Jan Salie komt. En dan moeten er stellig ook vee...

Lees verder
1908
2022-12-04
Vivat

Schrijver op Ensie

Piet

afkorting voor Pieter, d. i. Petrus (Peter); in overdrachtelijken zin iemand, die den mijnheer uithangt. In de uitdrukking „Pietje de voorste”: iemand die voorbarig is, naar den apostel Petrus, die zich door zijn voortvarendheid onderscheidde.P. of Pietje heette voorts oudtijds een muntstuk van f 0.325 met de beeltenis van Sint Pieter.

Lees verder
1898
2022-12-04
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Piet

Piet m. (-en), mansnaam; — (fig.) iem. die den grooten heer uithangt: ’s Zondags is hij een heele Piet; — iem. die veel weet, die veel in zijn mandje heeft: het is een Piet; — hij is een Piet in taal, in rekenen; — de groote Pieten in Den Haag, de groote heeren; — hij is altijd Pietje de Voorste, overal het e...

Lees verder