Synoniemen van pier

2020-04-07

pier

Het begrip pier heeft 13 verschillende betekenissen: 1) een saai persoon 2) langwerpig bouwwerk van ijzer of hout op pijlers dat haaks op het strand in zee uitsteekt en dat vooral wordt gebruikt door wandelaars en sportvissers, en waarop soms ook winkels, eetgelegenheden, stalletjes en attracties staan opgesteld; wandelhoofd. 3) niet meer functionerend 4) overdekte loopbrug op luchthavens die leidt van het luchthavengebouw naar de vliegtuigen 5) doodgaan; sterven; overlijden 6) degene die verant...

2020-04-07

pier

pier - zelfstandig naamwoord 1. lange, smalle dam, die in zee steekt ♢ het schip moest om de pier heen varen 2. overdekte gang naar een vliegtuig ♢ het vliegtuig vertrok van pier 10 3. lang, dun dier met buigzaam lichaam, die na regen uit de groen kruipt ♢ de visser gebruikte pieren als aas...

2020-04-07

Pier

1. in de -en hebben,in de gaten hebben. Informele uitdr. 2. -en vangen/zoeken,in de neus peuteren. Huiselijk cliché: ben je weer pieren aan het vangen? Vgl. Duits bergsteigenen im Bergwerk arbeiten‘in de mijnen werken’. 3. voorde-en,dood. Die is voor de pierenbet. ‘die zal het niet lang meer redden’. Een lijk wordt aan de wormen (waartoe ook de pieren behoren) prijsgegeven. Deze uitdr. is al erg oud. We vinden haar terug in de meeste spreekwoordenboeken.

2020-04-07

Pier

Pier - 'zo dood als een pier zitten': kapot zitten, aan het eind van z'n krachten zijn; geen reserves meer hebben.

2020-04-07

Pier

Pier - Eigennaam 1. (mannelijke naam) jongensnaam

2020-04-07

Pier

Zie Petrus

2020-04-07

Pier

Pier - (Groote), naam, dien men geeft aan een Frieschen zeeschuimer uit het begin van de 16e eeuw. Geboren te Kimswerd, kwam hij in verzet tegen de Saksen, die zijn hoeve verbrand hadden. Na een groot aantal ontevredenen om zich verzameld te hebben, maakte hij, van Workum uit, de Zuiderzee onveilig, zoodat de handel der West-Friesche steden groote schade leed. Tevergeefs beproefde Hieronymus Snees met schepen uit Hoorn en Enkhuizen een eind aan den zeeroof te maken (1515). Hulp werd aan G. P. ve...

2020-04-07

Pier

Pier, gewoonlijk Lange Pier geheeten en vermoedelijk tot het Friesche geslacht der Heemstra's behoorende, aanschouwde het levenslicht te Kimswert in de tweede helft der 15de eeuw. Toen een groot gedeelte der Friezen, het Saksisch bestuur moede, in het begin der 16de eeuw zich schaarde aan de zijde van Karel, hertog van Gelder, die niet karig was met fraaije beloften, koos ook Pier de partij van laatstgenoemde. Hij wordt door Petrus van Thalor beschreven als een reusachtig, forsch gebouwd man met...

2020-04-07

pier

opkoper. (Pierre, naam van een snees in Den Haag).

2020-04-07

pier

pier - v., havenhoofd, steiger aan de haven; havendam; worm.

2020-04-07

Pier

1° Ander woord voor havenhoofd. → Haven. 2° Een in zee uitgebouwde steiger loodrecht op de kust, voor wandelaars in badplaatsen (wandelpier), of voor het aanleggen van kleine vaartuigen bij kalme zee (aanlegpier). De steigerpalen zijn veelal van ijzer en wel meestal zgn. schroefpalen van holle ijzeren buizen met aan de ondereinden stalen punten met breede schroefbladen; ze worden in het strand geschroefd en komen dan zeer vast te zitten (p. te Scheveningen). Ook worden gebruikt holl...

2020-04-07

Pier

(‘pi:r) m. (-en; -ken) ➝ Petrus : Pieter Aertsen werd bijgenaamd Lange -. Gez. een kwade -, iemand die het anderen lastig maakt: hij is altijd de kwade -, krijgt altijd de schuld ; -en Pauwel, Jan en alleman.