Wat is de betekenis van piccolo?

2020
2022-12-01
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

piccolo

Het begrip piccolo heeft 4 verschillende betekenissen: 1) hotelbediende. doorgaans jonge bediende in een luxueus hotel die, traditioneel gekleed in een rood of bruin uniform met een rond petje, de hotelgasten en ander personeel helpt met uiteenlopende klusjes, zoals de lift bedienen, bagage dragen of een boodschap doen; hulp in een hotel; ch...

Lees verder
2017
2022-12-01
Gert Crum

Champagne compleet

Piccolo

de kleinste flesmaat voor champagne. Een piccolo heeft ongeveer de inhoud van een kwart van een normale fles, namelijk 20 centiliter. In Nederland spreken we in dit geval ook van kalkoentje. In vliegtuigen wordt champagne vaak in een piccolo aangeboden.

Lees verder
2015
2022-12-01
Typisch Vlaams

Door Ludo Permentier en Rik Schutz

piccolo

hard puntbroodje, (NL) pistolet We verkopen ook echte Amerikaanse hotdogs. Het is te zeggen, in een zachte sandwich en niet in een harde piccolo, zoals wij hier gewoon zijn. (Gazet van Antwerpen) Belgisch-Nederlandse Standaardtaal Gangbaarheid: 3 Vlaamsheid: 1

Lees verder
2004
2022-12-01
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema

piccolo

(de, -'s) krokant langwerpig broodje. Zijn vriendin had even voordien met een huishoudmes naar hem gegooid, omdat hij was thuisgekomen met piccolo's in plaats van de gevraagde pistolets. - HN, 05-02-2002.

Lees verder
2003
2022-12-01
XYZ van de klassieke muziek

945 begrippen uit de klassieke muziek

Piccolo

Een piccolo (It. klein) is een kleine fluit met ligging een octaaf hoger dan de 'gewone' fluit met als laagste noot de d". De Italiaanse benaming is 'ottavino'.

1994
2022-12-01
Vreemde woorden

Woordenboek vreemde woorden

Piccolo

[lt. = klein] 1 jonge bediende in uniform; 2 (muz.) bep. kleine fluit.

Lees verder
1993
2022-12-01
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Piccolo

hoteljongen; kleine fluit; kaartspel

1990
2022-12-01
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

piccolo

piccolo - Verwijst naar muziekinstrumenten die de kleinste van hun familie zijn met de hoogste toonhoogte.

1973
2022-12-01
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

piccolo

[Ital., klein], zn. (-’s), I. m., hoteljongen; II. v./m., piccolofluit; III. o., (kaartspel) spel waarbij men slechts één slag wil halen.

Lees verder
1955
2022-12-01
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Piccolo

klein; kleine bediende in hotel, enz.; piccolofluit: kleine fluit.

1952
2022-12-01
Frans woordenboek (FR-NL) 1950

Dr. F.P.H. Prick van Wely

Piccolo

piccolo(fluit).

1951
2022-12-01
Woordenboek Engels (EN-NL) 1951

Dr. F.P.H. van Wely

piccolo

piccolofluit.

1951
2022-12-01
Italiaans

Woordenboek Italiaans (IT-NL) 1951

piccolo

klein; gering; jongen; kleintje; jong.

1949
2022-12-01
De Kleine Winkler Prins

Encyclopedie van A tot Z - 1949

Piccolo

(It., klein) (1), kleine dwarsfluit (flauto P. of ottavino); noten klinken octaaf hoger dan geschreven staat; (2) kleine cello met 5e snaar; (3) hotel- of kofïiehuisjongen.

Lees verder
1948
2022-12-01
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

piccolo

(It.) Hein; ~, m. dreumes, inz. kleine bediende; ~(fluit), v. kleine of octaaffluit.

Lees verder
1939
2022-12-01
X-Y-Z der Muziek

Casper Howler

Piccolo

klein, meestal gebruikt als afkorting van flauto piccolo, kleine fluit. Vroeger had men ook een kleine viool en een kleine violoncel, die den laatsten tijd weer sporadisch gebruikt worden.

1937
2022-12-01
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

piccolo

It. 1 bn. (klein): piccolo-fluit, kleine octaafdwarsfluit; 2 m. piccolo’s (koffiehuis- of hoteljongen); (als kaartterm) piccolo (of: pico) spelen, aannemen om slechts één slag, niet meer, noch minder te maken.

Lees verder
1933
2022-12-01
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Piccolo

→ Fluit.

1930
2022-12-01
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

piccolo

('pikkolo) [It.] I. bn. klein. II. m. (-’s; ...lootje) kleine persoon of zaak nl. 1. kleine koffiehuis-, hoteljongen. 2. piccolofluit. 3. kaartspel waarbij men slechts één slag wil halen : spelen, gaan.

Lees verder
1916
2022-12-01
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Piccolo

Piccolo, - Ital., klein ; in de muziek verkorting van Flauto p. (kleine fluit); omdat dit instrument een octaaf hooger klinkt dan de gewone fluit, wordt het ook wel Octaaf-fluit (Ital. Ottavino) genoemd.