Wat is de betekenis van Paus?

2021
2021-06-21
Redactie Ensie

Schrijver op Ensie

Paus

De paus is het hoofd van de Katholieke Kerk in Rome. De voornaamste titel van de paus is Plaatsbekleder van Jezus Christus op Aarde. Daarnaast is de paus voor de katholieken de opvolger van St. Petrus, en wordt hij de bisschop van Rome en het staatshoofd van Vaticaanstad genoemd. De paus wordt in zijn hoedanigheid als staatshoofd samen met het Staa...

Lees verder
2020
2021-06-21
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

paus

Het begrip paus heeft 2 verschillende betekenissen: 1) hoofd van de katholieke kerk. iemand die aan het hoofd van de katholieke kerk staat; plaatsbekleder van Jezus Christus op aarde en drager van het hoogste, onvergankelijke, kerkelijke oppergezag, volgens de goddelijke instelling van Jezus Christus; hoofd, primaat van de katholieke kerk; s...

Lees verder
2020
2021-06-21
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

paus

1) (1977) (sch.) mannelijk geslachtsdeel. • Dat Bartholomeus, Bello, Gerrit, Frederik, goj, Hansje zonder been, Harmen, hokketokkestokke, Jacques de Kliever, Jan zonder handjes, Jochem Wippers, Joost, kruidjeroer-mij-niet, kuifje, leeuwerik, lelie, letter, notaris en getuigen, paus, piet, grote toon zonder nagel, tureluur uhu, vredemaker, wiid...

Lees verder
2018
2021-06-21
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

paus

paus - zelfstandig naamwoord 1. hoofd van de rooms-katholieke kerk ♢ de paus woont in het Vaticaan in Rome 1. hoe dichter bij de paus, hoe groter schorem (TB) [de paus omringt zich met slecht volk] ...

Lees verder
2017
2021-06-21
Studenten

Jargon & Slang van Studenten

Paus

Paus - (Vlaams) het Pauscollege te Leuven.

2004
2021-06-21
lesmethode Memo

Geschiedenisles voor bovenbouw

Paus

De hoogste geestelijke van de christelijke (katholieke) kerk. Hij wordt gezien als de plaatsvervanger van Christus.

1973
2021-06-21
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

paus

[→Gr. pappas, →Lat. papa, vader], m. (-en), 1. het hoofd van de Rooms-Katholieke Kerk (e): de wordt gekozen door een college van kardinalen; de — van Rome; in Rome geweest zijn en de — niet gezien hebben, het voornaamste gemist hebben; 2. iemand die anderen de wet voorschrijven wil: hij is een echte een despoot; ook: de van de...

Lees verder
1955
2021-06-21
Katholicisme encyclopedie

Onder redactie van Prof. dr. J.C. Groot

PAUS

(Gr.: pappas, Lat.: papa, vader) is de rechtmatige opvolger van Petrus, die door Christus tot zichtbaar hoofd der Kerk werd Christus, het onzichtbaar Hoofd, bij de kudde te representeren (Matth. 16 : 13— i g, Jo. 21 : 15-17). Hij heeft inde Kerk de hoogste geestelijke macht over bisschoppen, priesters en gelovigen, welke zowel het hoogste lee...

Lees verder
1952
2021-06-21
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Paus

s., paus.

1950
2021-06-21
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Paus

m. (-en), 1. opperhoofd der R.-K. Kerk, heilige vader : de Paus wordt verkozen door een college van kardinalen; — (spr.) wie zal de Paus biechten? — wij kunnen niet allen Paus van Rome zijn, één moet de eerste wezen ; — de zwarte Paus, zie bij Zwart; — (Zuidn.) hij heeft de Paus gezien, is dronken; 2. (fig.) P...

Lees verder
1949
2021-06-21
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Paus

(Gr. pappas, Lat. papa, vader), volgens de R.K. opvatting de plaatsbekleder van Christus op aarde, opvolger van de Prins der Apostelen Petrus, hoofd van geheel de Kerk, patriarch van het Westen, primaat van Italië, aartsbisschop en metropoliet van de Romeinse kerkprovincie, bisschop van Rome, souverein van de Vaticaanse staat. Na zijn wettige...

Lees verder
1933
2021-06-21
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Paus

(Heilige Vader), naam v/d bisschop v. Rome, als algemeen hoofd der II.K. Kerk. Volgens de leer dezer Kerk de plaatsvervanger v. Christus op aarde en b/e plechtig als hoofd der kerk uit-gesproken beslissing in geloof en zeden onfcübaartdogmasedert 1870).Oorspr. oefende de Paus ook wereldlijk gezag uit (i/d zg. Kerkelijken Staat), waaraan in 187...

Lees verder
1933
2021-06-21
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Paus

I. De naam paus is met het Lat. papa, D. Papst, Eng. pope, enz. afgeleid van het Gr. pappas, vader. In het Nederl. wordt de term uitsluitend voor den paus van Rome benut. Diens volledige titulatuur luidt: de bisschop van Rome, plaatsbekleeder van Christus op aarde, opvolger van den Prins der Apostelen, hoofd van geheel de Kerk, patriarch van het We...

Lees verder
1928
2021-06-21
Wat is dat?

Wat is dat? Encyclopedie voor jongeren (1938).

Paus

Dit is de titel van het hoofd der Rooms-Katholieke kerk, die door de Rooms-Katholieken ook wel „Heilige Vader”, „Stadhouder van Christus” en „Opvolger van Petrus” genoemd wordt. De zetel der Pauselijke regering te Rome wordt aangeduid als de Heilige Stoel. Over het ontstaan en de eerste ontwikkeling der Kerk bes...

Lees verder
1916
2021-06-21
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Paus

Paus - (van het Gr. πάππας ; Lat. papa, d. i. vader), titel van het hoofd der R.-K. kerk. Volgens de leer dier kerk is de p. het zichtbare, door Christus als zijn plaatsvervanger aangestelde opperhoofd der kerk. Zij kent hem onfeilbaarheid toe (dogma sedert 1870). Volgens de R.-K. kerk was Petrus de eerste paus. Het Concilium Vaticanum heeft als ge...

Lees verder
1898
2021-06-21
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Paus

paus - m. (-en), geestelijk opperhoofd der R.-K. kerk, heilige vader; (spr.) wien zal de paus biechten ?; wij kunnen niet allen Paus van Rome zijn, één moet de eerste wezen; — (fig.) Protestantsch geestelijke, die over zijne medebroeders tracht te heerschen; (fig.) iem. die anderen de wet voorschrijven wil: hij is een rechte pau...

Lees verder
1870
2021-06-21
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Paus

Paus, afkomstig van het Grieksche woord voor vader, is de titel van den bisschop te Rome als primaat der geheele R. Katho lieke Kerk. Volgens de R. Katholieke uitlegging van Matthaeus XVI 17—19, Lucas XXII 31 en 32 en Johannes XXI 15—17 heeft Christus aan zijn apostel Petrus in zijne Kerk hoogere magt verleend, dan aan de overige apostelen en alzoo...

Lees verder