Wat is de betekenis van pater?

2020
2022-06-25
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

pater

Het begrip pater heeft 2 verschillende betekenissen: 1) priester in een orde of congregatie. priester in de katholieke kerk die verbonden is aan een orde of congregatie of een godsdienstig leven leidt als bv. kloosterling, monnik of missionaris. 2) vader. vader.

Lees verder
2018
2022-06-25
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

pater

pater - zelfstandig naamwoord uitspraak: pa-ter 1. rooms-katholieke geestelijke die meestal in een klooster woont ♢ deze paters mogen niet met elkaar praten Zelfstandig naamwoord: pa-ter de pater ...

Lees verder
1997
2022-06-25
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

pater

Vaak krijgt iemand via een verwensing te horen dat hij zich uit de voeten moet maken en zich bezig moet gaan houden met een schier onmogelijke opdracht. Dat is het geval bij loop naar de paters om sokken!, een verwensing die onbehagen en minachting uitdrukt en die voorkomt in Tielt in West-Vlaanderen. Sanders verklaart in de Volkskrant...

Lees verder
1994
2022-06-25
Vreemde woorden

Woordenboek vreemde woorden

Pater

[Lat. = vader] 1 (rk) titel en aanspreektitel van een priester die behoort tot een orde of congregatie; 2 (in enkele nog gebruikelijke uitdrukkingen): - familias of familiae, huisvader, de vader als gezinshoofd; - patriae, vader des vaderlands.

Lees verder
1993
2022-06-25
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Pater

ordegeestelijke die priester is; vader

1973
2022-06-25
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

pater

[Lat.], m. (-s), 1. vader; gebruikelijk in enkele vaste uitdr.: pater familias, huisvader; patres conscripti, vroede vaderen, gemeentebestuur; 2. aanspreektitel en ben. voor een rooms-katholieke kloosterling die priester is: een pater jezuïet; het is een pater goedleven, iemand die een gemakkelijk en overdadig leven leidt, die er welgedaan ui...

Lees verder
1958
2022-06-25
Encyclopedie van Friesland

Encyclopedie van Friesland (1958) onder redactie van Prof. Dr. J.H. Brouwer

PATER

(Latijn, vader). In late M.E. naam voor hoofd of zielzorger van klein klooster; tegenwoordig algemene titel voor reguliere priesters.

1955
2022-06-25
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Pater

vader ; ordegeestelijke ; pater familias: huisvader

1955
2022-06-25
Katholicisme encyclopedie

Onder redactie van Prof. dr. J.C. Groot

PATER

(Lat., vader), is de titel van een kloosterling, die priester is. In verschillende landen worden ook seculieren pater genoemd, zie Aanspreektitels.

1952
2022-06-25
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Pater

s., pater.

1951
2022-06-25
Engels

Woordenboek Engels (1951)

pater

pipa, ouwe heer.

1950
2022-06-25
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Pater

(Lat.), m. (-s), 1. (R.-K.) priester die tot een geestelijke orde behoort ; — het is een pater goedleven, iem. die een gemakkelijk en overdadig leven leidt, die er welgedaan uitziet ; — dat is alleen voor pater en mater, en niet voor ’t gehele convent, dat is geen spek voor uw bek, dat is voor u te duur, te hoog, te geleerd enz. ;...

Lees verder
1949
2022-06-25
Woordenboek Latijn

Geschreven door Dr. J.F.L. Montijn

Pătĕr

tris, m. 1. eig., de vader (bij dichters plur. = ouders), ook van dieren, pater gregis, Ov. 2. overdr., pleegvader; schoonvader. | de vader als hoofd, p. familias, huisvader, -heer, Cic.; p. cenae, gastheer, Hor. | patres, de vaderen = voorvaderen, patrum memoriā, Cic. | vader, als eretitel, uit hoogachting; vand....

Lees verder
1948
2022-06-25
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

pater

(Lat.) m. vader; kerkvader; ordesgeestelijke; ~ familias, huisvader; ~ patrias, vader des vaderlands; ~

1937
2022-06-25
Scholastiek Lexicon

Latijns-Nederlandsch

PATER

Vader. Pater caelestis, Hemelsche Vader. Pater carnalis, Vader naar het vleesch. Pater putativus, Vermeend vader. Pater spiritualis, Geestelijk vader.

1937
2022-06-25
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

pater

m. (Lat.) patres, (Ned.) paters, patertje (Lat. eig. vader, ook, als aanspreking: geestelijke ener R.-K. orde): pater-rector, overste in een Jezuïetenklooster; pater-gardiaan, idem, in een Franciscanenklooster; pater familias, huisvader; een patertje langs de kant, a) beginregel van het liedje bij een bekende reidans, b) de reidans zelf; zie o...

Lees verder
1933
2022-06-25
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Pater

i/d R.K. Kerk een geestelijke, die tot een orde behoort e/d priesterwijding heeft ontvangen.

1933
2022-06-25
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Pater

(Lat., = vader), titel van kloosterlingen, die priester zijn, tegenover → frater (3°). In sommige streken, met name van Tsjecho-Slowakije, ook gebruikelijk voor wereldpriesters. Paters van Barmhartigheid, of Priesters van de Barmh., congregatie, gesticht in 1808 te Lyon door den priester Rauzan voor zielzorg en onderricht. Huizen in Frankr...

Lees verder
1898
2022-06-25
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Pater

Pater - m. (-s), vader; (R.-K.) priester die tot eene geestelijke orde behoort; — het is een pater goedleven, iem. die een gemakkelijk en overdadig leven leidt, die er welgedaan uitziet; — dat is alleen voor pater en mater, en niet voor ’t geheele convent, dat is geen spek voor uw bek, dat is voor u te duur, te hoog, te geleerd e...

Lees verder
1864
2022-06-25
Beknopt kunstwoordenboek

Beknopt kunstwoordenboek, I.M. Calisch (1864)

pater

pater - m. (paters), vader; (r.k.) priester, (titel); uit paters vaatje tappen, van den besten wijn schenken