Wat is de betekenis van pastoor?

2020
2022-01-24
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

pastoor

hoofd van een parochie. het geestelijk hoofd van een kerkelijke gemeente, de priester aan wie door de bisschop de gewone zielzorg voor een bepaalde kring van gelovigen (parochie) is opgedragen; priester aan het hoofd van een parochie. Voorbeelden: Aan het hoofd van een parochie staat een pastoor. Een pastoor wordt bijgestaan door een...

Lees verder
2018
2022-01-24
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

pastoor

pastoor - zelfstandig naamwoord uitspraak: pas-toor 1. leider van groep gelovigen in katholieke kerk ♢ hoe heet de pastoor van deze kerk? Zelfstandig naamwoord: pas-toor de pastoor de pa...

Lees verder
2000
2022-01-24
Bijbels Lexicon

Door Karina van Dalen-Oskam & Marijke Mooijaart

Pastoor

Pastoor, pastor, zielzorgend priester, geestelijk hoofd van een rooms-katholieke, ook wel protestantse kerkelijke gemeente; zielenherder. De woorden pastor en pastoor zijn afgeleid uit Latijn pastor, dat ‘herder’ betekent (zie ook Herder). Hierin wordt de geestelijke zorg die de pasto(o)r voor zijn ‘kudde’, de gelovigen uit zijn gemeente, beeldend...

Lees verder
1998
2022-01-24
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Pastoor

1. de - zijn hemd, schertsend voor ‘een vel op de melk’. Huiselijk cliché. 2. - van een weggewaaid/afgebrand dorp,zie een kapelaan/pastoor/burgemeester van een weggewaaid/ afgebrand dorp.

Lees verder
1994
2022-01-24
Vreemde woorden

Woordenboek vreemde woorden

Pastoor

[Lat. pastor = herder] (rk) hoofdpriester van een parochie of van een bep. groep (bijv. studentenpastoor), thans in vele streken pastor genoemd.

1993
2022-01-24
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Pastoor

hoofd van een katholieke kerkgemeente

1973
2022-01-24
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

pastoor

[Lat. pastor, herder], m. (-s), geestelijk hoofd van een r.k. of oud-katholieke parochie: de pastoor van de Lievevrouwekerk; (zegsw.) naar de pastoor gaan, trouwen; de zegent zichzelf eerst, ieder zorgt eerst voor zichzelf.

1958
2022-01-24
Encyclopedie van Friesland

Encyclopedie van Friesland (1958) onder redactie van Prof. Dr. J.H. Brouwer

PASTOOR

Herder van een parochie. Verricht namens de bisschop de eredienst, bedient de sacramenten, verkondigt het geloof. In de M.E. hing zijn benoeming in feite af van kerkheer of patroon; door incorporatie kon het ambt formeel op klooster of kapittel overgaan. De P. leefde van grondbezit, de pastorieplaats (zie Pastoralia), zelf bewerkt of verpacht, en w...

Lees verder
1955
2022-01-24
Katholicisme encyclopedie

Onder redactie van Prof. dr. J.C. Groot

PASTOOR

(Lat.: pastor, herder) is de priester, aan wie de leiding van een parochie blijvend is toevertrouwd en die in apostolische openheid ook niet-Katholieken, die in zijn parochie vertoeven, in zijn herderlijke aandacht dient te betrekken (can. 1350 § 1). In één en dezelfde parochie mag slechts één pastoor zijn, daar hij...

Lees verder
1952
2022-01-24
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Pastoor

s., pastoar.

1950
2022-01-24
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Pastoor

(<Lat.), m. (-s), 1. (R.-K.) geestelijke die aan ’t hoofd van een parochie staat: naar de pastoor gaan, trouwen; de pastoor zegent zichzelf eerst, ieder zorgt eerst voor zichzelf; 2. volksn. voor de zeemeeuw.

Lees verder
1949
2022-01-24
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Pastoor

(Lat. pastor, herder), de priester, door de bisschop ambtelijk aangesteld tot hoofd van een parochie, waarover hij de volledige zielzorg heeft.

1937
2022-01-24
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

pastoor

m. pastoors, pastoortje (Lat. pastor = [zielen]herder: in Z.-N. en N.-N. hoofd ener parochie): naar den pastoor gaan, trouwen; Z.-N. ook: pastor.

1933
2022-01-24
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Pastoor

i/d R.K. Kerk geestelijke, die belast is m/h bestuur v/e → parochie.

1933
2022-01-24
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Pastoor

(< Lat. pastor = herder), de priester of kerkelijke rechtspersoon, aan wien het bestuur van een → parochie en de zielzorg van de daartoe behoorende geloovigen blijvend is opgedragen. Als een parochie met een rechtspersoon (klooster, kapittel) vereenigd (geïncorporeerd) is, moet voor de uitoefening der zielzorg en het geestelijk bestuur...

Lees verder
1916
2022-01-24
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Pastoor

Pastoor - (Van het Lat. pastor, herder; zielenherder), titel van den R.-K. geestelijke, die door den bisschop met het bestuur eener parochie belast is.

1898
2022-01-24
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Pastoor

Pastoor - m. (-s, ...oren), zielenherder; (R.-K.) geestelijke die aan ’t hoofd eener parochie staat; — de pastoor zegent zich zelf eerst, ieder zorgt eerst voor zich zelf; — (nat. hist.) volksnaam voor: zeemeeuw.

Lees verder