Passen
(paste, heeft gepast), 1. (overg.) afpassen, nauwkeurig afmeten, inz. met behulp van een passer : passen en meten ; — (zegsw.) met passen en meten wordt veel tijd versleten, veel tijd gaat teloor met nutteloze voorbereidingen ; — effen is kwaad passen, het is moeilijk het juiste punt te treffen ; — (fig.) het weten te passen, de j...