Wat is de betekenis van passen?

Synoniemen van passen

2018
2020-11-30
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

passen

passen - regelmatig werkwoord uitspraak: pas-sen 1. precies de goede maat zijn ♢ dit jasje past me goed 1. het was passen en meten [het kostte veel moeite] 2. a...

Lees verder
2017
2020-11-30
Studenten

Jargon & Slang van Studenten

Passen

Passen - (Vlaams) ik heb er één gepast: hiermee bedoelt men een buis of hoge hoed.

2010
2020-11-30
Wielerwoordenboek

Geschreven door Fons Leroy en Wim van Rooy

passen

passen: niet meer mee kunnen, de ontsnapping aan zich voorbij laten gaan, het tempo niet meer kunnen volgen.

1998
2020-11-30
drs. Toine van Hoof

AUTEUR VAN HET BRIDGE WOORDENBOEK - "BRIDGE OPZOEKBOEK" (UITGAVE 1998)

passen

De gelegenheid om een bod te doen of indien mogelijk te doubleren of te redoubleren, aan zich voorbij laten gaan. Passen gebeurt door het zeggen van ‘pas’ of, wanneer bidding boxes worden gebruikt, het groene kaartje met de aanduiding voor ‘pas’ op tafel te leggen. Formeel niet toegestaan doch met name in de uitpas gebruikelijk is het kloppen op ta...

Lees verder
1900
2020-11-30
Collectie Nederland

Collectie Nederland: Musea, Monumenten en Archeologie

passen

Passen zijn lobben of glopen volgens de driepas.

1898
2020-11-30
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Passen

Passen - (paste, heeft gepast), juist zoo zijn als het wezen moet: die kleeren passen mij, zijn mij juist goed; — die kurk past op deze flesch, sluit de halsopening nauwkeurig af; — de sleutel past op dit slot, het kan er mede geopend of gesloten worden; — dat past als eene bus, zeer goed; — die planken passen in elkander...

Lees verder
1898
2020-11-30
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Passen

zie Behooren.