Wat is de betekenis van passen?

2026-01-23
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Passen

(paste, heeft gepast), 1. (overg.) afpassen, nauwkeurig afmeten, inz. met behulp van een passer : passen en meten ; — (zegsw.) met passen en meten wordt veel tijd versleten, veel tijd gaat teloor met nutteloze voorbereidingen ; — effen is kwaad passen, het is moeilijk het juiste punt te treffen ; — (fig.) het weten te passen, de j...

Wil je de volledige toegang tot alle 20 resultaten?

Word vriend

Of oriënteer eerst en blader door onze categorieën


Studenten en medewerkers van onderstaande onderwijsinstellingen hebben gratis toegang

Universiteit Leiden University of Amsterdam Universiteit Utrecht
2026-01-23
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2025)

passen

1) (19e eeuw) (Barg.) kopen; opkopen (ook bij het kaartspel). • (Isidoor Teirlinck: Woordenboek van Bargoensch. 1886) • (Paul van Hauwermeiren: Bargoens. Vijf eeuwen geheimtaal van randgroepen in de Lage Landen. 2020) 2) (2005) (< Eng. to pass) (straattaal) geven. • passen [Engels] = geven. (Leonie Cornips: Het Sur...