Wat is de betekenis van particulier?

2018
2021-04-15
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

particulier

particulier - bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord uitspraak: par-ti-cu-lier 1. niet door de overheid, maar door burgers ingesteld ♢ hij zit op een particuliere school 1. particulier initiatief ...

Lees verder
2017
2021-04-15
Kadaster

Woordenboek van het Kadaster.

Particulier

Een particulier is een natuurlijk persoon die een graafmelding of een oriëntatieverzoek doet, en dit niet doet namens een bij de KlIC dienst geregistreerd bedrijf.

1993
2021-04-15
Vreemd Nederlands

Vreemd Nederlands

Particulier

(partikulier) privé; bijzonder; persoonlijk; op zichzelf staand; ambteloos burger

1973
2021-04-15
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

particulier

(partikulier) [→Fr.], bn. en bw., 1. niet geldend voor, niet behorend bij iedereen of allen, maar slechts voor of bij een gedeelte of een enkel persoon: iemands particuliere mening; zijn particuliere secretaris; 2. privaat, niet publiek: een particuliere audiëntie; iemand spreken, afzonderlijk; door individuele personen, niet door de ove...

Lees verder
1955
2021-04-15
vreemd

Vreemde woordenboek

Particulier

1) bijzonder, afzonderlijk, niet publiek. 2) burger zonder ambt; privaat persoon

Lees verder
1952
2021-04-15
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Particulier

s. & adj., partikulier.

1950
2021-04-15
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Particulier

(<Er.), I. bn. bw., 1. niet geldende voor, niet behorende bij iedereen of allen, doch slechts voor of bij een gedeelte of een enkel persoon: iemands particuliere mening ; ik bedoel hem particulier, alleen hem ; 2. privaat, niet publiek: een particuliere audiëntie; iem. particulier spreken, afzonderlijk ; particuliere kennisgeving ; &mdash...

Lees verder
1948
2021-04-15
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

particulier

bijzonder, eigenaardig; eigen, persoonlijk; afzonderlijk, omstandig; apart, onder vier ogen; m. ambteloos levend persoon, privaat persoon.

1939
2021-04-15
Vreemde woorden in de wiskunde

Dr. E.J. Dijksterhuis - 1939

Particulier

( < Lat. particularis; < particula, dem. van pars = deel). Een zelfstandig deel vormend. Vd. Op zich zelf staand, bijzonder.

Lees verder
1910
2021-04-15
Handelslexicon

Handelslexicon (1910) door J. Hagers

Particulier

Particulier - persoonlijk, bijzonder, in tegenstelling van algemeen, voor het algemeen bestemd. — Dagboek voor den: Ch. H. de Vries, f 0.75. Van der Laan & Co., Den Haag. — Practische Boekhouding voor den: Ch. H. de Vries, f 0.75. Handelsstudie-serie.

Lees verder
1898
2021-04-15
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Particulier

Het begrip particulier heeft 2 verschillende betekenissen: 1. particulier - particulier - Particulier m. (-en), ambteloos burger; (inz.) die geen soldaat is. PARTICULIERE, v. (-n). 2. particulier - particulier - Particulier bn. bijzonder, afzonderlijk : iem. in het particulier spreken; — eene particuliere woning, huis dat geen stads- of pub...

Lees verder