2020-04-03

part

part - zelfstandig naamwoord 1. wat kleiner is dan het totaal ♢ ik snij de appel in partjes 1. daar heb ik part noch deel aan [ik heb er niets mee te maken] 2. voor mijn part [wat mij betreft] 3. de angst speelt hem parten [h...

2020-04-03

Part

Part - → Takel.

2020-04-03

Part

Part - aandeel in een zaak, in een schip.

2020-04-03

part

part - o., deel, aandeel; „parten” : streeken, kuren, grillen; „iemand parten spelen”: iemand beetnemen.

2020-04-03

part

De elliptische verwensing je kunt voor mijn part! laat alle calamiteiten open. De betekenis ervan is afgesleten tot ‘bekijk het maar, je kunt me wat’ en drukt onverschilligheid en minachting uit van de spreker. zie kunnen.

2020-04-03

Part

Het begrip part heeft 2 verschillende betekenissen: 1. part - part - Part o. (-en), deel : het vierde part van iets; appelen aan parten snijden; ieder krijgt zijn part, zijn aandeel; — (spr.) ik heb er part noch deel aan, ik ben daaraan geheel onschuldig, ik wist er niets van; — ik, voor mijn part, voor mijn deel, voor zooveel mij aangaat; — voor mijn part kan hij ophoepelen, wat mij betreft, mijnentwege; — (zeew.) loshangend touw, van eene scheerlijn het deel van een...

2020-04-03

part

I o. (-en; -je) [Fr. < Lat. pars, partis] 1. o. Algm. gedeelte, deel: een brood, appelen aan -en, -jes snijden; voor het of de meeste -, voor het merendeel. 2. Inz. a. aandeel: hij was tevreden met zijn -; elk zijn -, dan krijg ik ook wat of dan heeft de drommel niets ; hij heeft twee -en in de boerderij, en zijn zoon één ; - en deel aan, in iets hebben; ergens noch deel aan hebben, er niets mee te maken hebben of er niet de minste schuld aan hebben; voor mijn -, wat mij aangaat...