2019-11-18

part

part - zelfstandig naamwoord 1. wat kleiner is dan het totaal ♢ ik snij de appel in partjes 1. daar heb ik part noch deel aan [ik heb er niets mee te maken] 2. voor mijn part [wat mij betreft] 3. de angst speelt hem parten ...

2019-11-18

Part

Part - → Takel.

2019-11-18

Part

Part - aandeel in een zaak, in een schip.

2019-11-18

part

part - o., deel, aandeel; „parten” : streeken, kuren, grillen; „iemand parten spelen”: iemand beetnemen.

2019-11-18

part

De elliptische verwensing je kunt voor mijn part! laat alle calamiteiten open. De betekenis ervan is afgesleten tot ‘bekijk het maar, je kunt me wat’ en drukt onverschilligheid en minachting uit van de spreker. zie kunnen.