Wat is de betekenis van parmantig?

2018
2020-11-23
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

parmantig

parmantig - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: par-man-tig 1. zelfbewust en een beetje eigenwijs ♢ parmantig stapte het kind naast haar vader Bijvoeglijk naamwoord: par-man-tig ... is parmantiger dan ... ...

Lees verder
1948
2020-11-23
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

parmantig

zelfbewust en zonder vrees; fier, prat, trots.

1921
2020-11-23
Levende taal

T. Pluim - 1921

Parmantig

van ’t Spaansche paramento = opschik.

1914
2020-11-23
De vreemde woorden

De vreemde woorden, verklarend woordenboek door Fokko Bos.

parmantig

parmantig - fier, deftig, verwaand.

1898
2020-11-23
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Parmantig

Parmantig bn. bw. (-er, -st), zwierig, schoon uitgedost; (bij uitbr.) statig, deftig; durvend, moedig : parmantig ging het kleine kereltje er op af. PARMANTIGHEID, v. zwier, trots; statigheid; moed; — iem. die parmantig is : ’t is zoo’n parmantigheidje.

Lees verder