Wat is de betekenis van papaja?

2020
2021-02-25
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

papaja

Het begrip papaja heeft 2 verschillende betekenissen: 1) meloenboom. in de tropen voorkomende boom die meloenachtige vruchten draagt met een groene schil, oranje vruchtvlees en ronde, zwarte zaadjes in de kern. Afwijkend van de officiële spelling vaak ook als papaya geschreven. 2) vrucht van de meloenboom.

Lees verder
2018
2021-02-25
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

papaja

papaja - zelfstandig naamwoord uitspraak: pa-pa-ja 1. tropische boom met eetbare vruchten ♢ de vruchten van de papaja zijn heerlijk in een salade 2. kleurige vrucht van de papajaboom ♢ in tropis...

Lees verder
2017
2021-02-25
Uit Oost en West

verklaring van 1000 woorden uit Nederlands-Indië

papaja

papaja [bepaalde vrucht]. Komt waarschijnlijk met de vrucht uit Amerika. Zoals uit Hobson-Jobson blijkt, is er een Caraïbisch woord ababai = papajaboom. Op het eiland Cuba hebben de Spanjaarden daarvan gemaakt papaya. Eigenaardig noemt men op de Filippijnen verinlandste Europeanen... papaja’s.

Lees verder
1993
2021-02-25
Vreemd Nederlands

Vreemd Nederlands

Papaja

(papaya) meloenboom; vrucht van die boom

1950
2021-02-25
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Papaja

v. (-’s), (Ind.) 1. meloenboom. 2. vrucht van de meloenboom.

Lees verder
1948
2021-02-25
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

papaja

v. zeer vlezige, op een langwerpige meloen gelijkende Indische vrucht.

1916
2021-02-25
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Papaja

Papaja, - zie CARICA.

1898
2021-02-25
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Papaja

Papaja v. (-’s), meloenboom; de vrucht ervan.