Wat is de betekenis van panorama?

2018
2021-12-08
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

panorama

panorama - zelfstandig naamwoord uitspraak: pa-no-ra-ma 1. uitzicht in de verte ♢ vanaf de top van de heuvel zagen we een prachtig panorama Zelfstandig naamwoord: pa-no-ra-ma het panorama ...

Lees verder
2004
2021-12-08
Kunst ABC

meer dan 1000 termen

Panorama

Schildering op een lang doek dat als een cirkel de kijker omgeeft. Het biedt de kijker een blik op een stad of landschap. Populaire vorm van vermaak in de 18de en 19de eeuw.

2002
2021-12-08
Lexicon voor de kunstvakken

Verklaringen van woorden die gebruikt worden in teksten over kunst.

panorama

Een panorama is een: 1) vergezicht over een stad, land; 2) schildering van een vergezicht over een stad, land.

1994
2021-12-08
Vreemde woorden

Woordenboek vreemde woorden

Panorama

[v. Gr. pan = alles, en horama = aanblik, schouwspel, van horan = zien] schilderstuk in de breedte rondlopend met echte voorgrond; breed vergezicht, overzicht over een landschap.

1993
2021-12-08
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Panorama

vergezicht; cilindrisch schilderstuk

1973
2021-12-08
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

panorama

[→Gr. horama, schouwspel], o. (-’s), 1. cilindervormig schilderstuk met veelal een werkelijke voorgrond, waarbij de toeschouwer in het midden staat; 2. gebouw waarin zo’n afbeelding te zien is; 3. vergezicht naar verschillende kanten of een landschap: toen wij de bergtop bereikt hadden zagen wij een prachtig -. 4. kaart of plaat...

Lees verder
1955
2021-12-08
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Panorama

o., schilderij, die rondloopt; vergezicht

1950
2021-12-08
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Panorama

(Eng.<Gr.), o. (-’s), 1. geschilderde afbeelding van een landschap of een ander tafereel, aangebracht langs de binnenwand van een cylindervormige tent, in het midden waarvan de toeschouwer gaat staan: het panorama werd uitgevonden door de Ierse schilder R. Barker. 2. gebouw waarin zulk een afbeelding als onder 1. te zien is. 3. verg...

Lees verder
1949
2021-12-08
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Panorama

(Gr. pan, alles, horama, gezicht), schilderstuk van een geheel, liefst hist., tafereel, aangebracht langs wand van rond gebouw en daardoor „doorlopend”; de toeschouwer staat in het midden van de ronde bouw.

1948
2021-12-08
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

panorama

o. (albeschouwing) rondlopende schilderij met een werkelijke vóórgrond, als aanschouwelijke voorstelling, v. e. landschap, stad, slagveld enz., in welks middelpunt de aanschouwer staat; vergezicht.

1937
2021-12-08
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

panorama

o. panoramas (Gr. horama = gezicht, woord van ± 1789, 1 rondtafereel: cirkelvormig schilderstuk met een werkelijke voorgrond, hetwelk een stad, een landstreek, een tafereel in zijn geheel voorstelt, terwijl de beschouwer in het midden staat; ook: het gebouw zelf; 2 een vergezicht naar alle of vele kanten, b.v. van een toren; 3 kaart of plaat...

Lees verder
1933
2021-12-08
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Panorama

1) overzicht, vergezicht met verschilt, zijden; 2) cirkelvormig schilderstuk met echten voorgrond, een veldslag, landstreek of dergelijk voorstellend, waar de toeschouwer als het ware midden in staat; ook; naam v/h gebouw, waarin het p. is opgesteld.

Lees verder
1933
2021-12-08
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Panorama

1° Wijd, veel omvattend vergezicht vanaf een hoog gelegen punt. 2° Afbeelding van een dergelijk vergezicht in een schilderstuk, dat in een rond gebouw langs de wanden is aangebracht. Hierbij is de dieptewerking vaak door een plastische uitbeelding van den voorgrond versterkt. In 1790 maakte J. Breysig het eerste p.; worden thans niet meer v...

Lees verder
1916
2021-12-08
Technisch woordenboek

H.J. van Eyk

Panorama

Oorspronkelijk een grootsch, wijd natuurlandschap; thans ook een geschilderd landschap in het rond, waardoor het schijnt, dat men zich werkelijk in het een of ander oord bevindt.

1898
2021-12-08
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Panorama

Panorama o. (-’s), algezicht, vergezicht: op dien heuveltop heeft men een prachtig panorama; bedrieglijke voorstelling (eener stad enz.) in een rond gebouw, in welks midden zich de beschouwer bevindt en waar hij niet zien kan waar de werkelijkheid eindigt en het doek begint; het gebouw zelf.

1870
2021-12-08
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Panorama

Panorama of algemeen schouwtooneel is de naam van een landschappelijk tafereel, hetwelk , van een toren of berg beschouwd, zich naar alle kanten uitbreidt. Voorts heeft men dien gegeven aan de geschilderde voorstelling van zulk een natuurtafereel. Deze kan op de wanden van eene cirkel vormige tent, waarin de toeschouwer rondwandelt, maar ook zoodan...

Lees verder
1864
2021-12-08
Beknopt kunstwoordenboek

Beknopt kunstwoordenboek, I.M. Calisch (1864)

panorama

panorama - o. (panoramaas), algezicht, voorstelling (eener stad enz.) in eene ronde tent, in welker midden zich de beschouwer bevindt

Lees verder