Synoniemen van Pand

2020-01-26

Pand

Pand, - zie PANDRECHT.

2020-01-26

Pand

Een pand is een kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is

2020-01-26

pand

pand - Delen van een kledingstuk die verticaal worden ingezet en meestal aan twee kanten worden vastgenaaid, of stroken stof die bovenaan het kledingstuk worden vastgemaakt en los kunnen hangen.

2020-01-26

Pand

Pand - een recht, dat de schuldeischer verkrijgt op een roerende zaak, die de schuldenaar hem, of een ander in zijn naam, tot zekerheid der schuld heeft ter hand gesteld, en dat aan den schuldeischer de bevoegdheid geeft, om zich bij voorkeur boven de andere schuldeischers uit die zaak te doen betalen, met uitzondering van de kosten van uitwinning en van de onkosten, die na de inpandgeving, tot behoud van de zaak gemaakt zijn en welke den voorrang zullen hebben. B. W. artt. 1196 tot 1207. Ook: h...

2020-01-26

Pand

zie Pandbeslag en Pandregt.

2020-01-26

Pand

Beperkt zekerheidsrecht op niet-registergoederen.

2020-01-26

Pand

zie Onderpand.

2020-01-26

pand

pand - zelfstandig naamwoord 1. deel van een kledingstuk ♢ op de panden van zijn jas zat modder 2. waar je in kunt wonen of werken ♢ het pand is in de Vondelstraat Zelfstandig naamwoord: pand het pand de panden het pandje Synoniemen gebouw

2020-01-26

Pand

Vorm van zekerheidstelling waarbij roerende zaken als zekerheid dienen.

2020-01-26

Pand

(Rom. recht), het zakelijk recht, dienend tot zekerheid voor de betaling eener schuld. De te verpanden zaak (roerend of onroerend goed) moet in het bezit (→ possessio) gesteld worden van den pandhouder-schuldeischer. Anders → Hypotheca.

2019-03-14

Pand-wissel

Pand-wissel - in-pand-geving van een wissel geschiedt door overgave en (pand-) endossement.

2019-03-14

Pand-endossement

Pand-endossement - heet de clausule (waarde tot borgstellen, of waarde tot pand), gesteld op een wissel, die in pand is gegeven.

2018-11-22

2. pand

2. pand - o. (-en), iets dat men aan een schuldeischer geeft, om bij niet-betaling daarin vergoeding te vinden, waarborg, onderpand; op pand leen en, in of te pand geven; — een pand lossen, het terugvragen, waarbij men de verschuldigde som betaalt; — het pand is vervallen of verstaan, de tijd tot het lossen is verstreken; — (bij uitbr.) iets dat aan een ander wordt gegeven ter verzekering van eene aangegane verbintenis of belofte: een pand der huwelijksmin, een kind; mijn woord zij u...

2018-11-22

1. pand

1. pand - o. (-en), zijstuk, slip van eene jas of rok : iem. bij de panden van zijne jas vasthouden; een jasje met pandjes. PANDJE, o. (-s).

2019-04-28

Onderpand — pand

Eene zaak, die door een schuldenaar aan zijn schuldeischer wordt in handen gesteld, tot zekerheid van de betaling der schuld. In de rechtstaal bedient men zich van pand of hypotheek, naar gelang het een roerend of een onroerend goed betreft; onderpand wordt in het dagelijksch leven zoowel het een als het ander genoemd. Figuurlijk is het alles, wat tot bewijs of tot waarborg strekken moet, dat, hetgeen men zegt of belooft, waar is of nagekomen zal worden; het onderscheid tusschen de woorden komt...

2019-03-14

Waarde tot pand

Waarde tot pand - clausule bij pand-endossement van een wissel.

2017-05-11

recht van pand

Zekerheidsrecht op roerende zaken of vermogensrechten. Men kan zich op deze zaken of rechten verhalen wanneer de geldlener zijn verplichtingen niet nakomt.

2017-12-05

Identificatiecode van een pand

Een identificatiecode van een pand is een authentiek gegeven en een unieke aanduiding van het pand.

2018-12-02

Toepand

Toepand - o. (-en), pand bij een ander pand gevoegd.

2019-03-14

Valeur en garantie

Valeur en garantie - clausulewaarde tot pand bij pand-endossement.