Wat is de betekenis van paar?

2026-01-21
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Paar

I. o. (paren), 1. tweetal bij elkaar behorende zaken, die samen een eenheid vormen: een paar schoenen, kousen; — (Zuidn.) dat is een ander paar mouwen, dat is een heel andere zaak; — tweetal lichaamsdelen die aan een normaal ontwikkeld lichaam voorkomen: een paar oren, ogen, armen, handen enz.; — ik heb nog...

Wil je de volledige toegang tot alle 20 resultaten?

Word vriend

Of oriënteer eerst en blader door onze categorieën


Studenten en medewerkers van onderstaande onderwijsinstellingen hebben gratis toegang

Universiteit Leiden University of Amsterdam Universiteit Utrecht
2026-01-21
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

paar

paar - zelfstandig naamwoord 1. twee bij elkaar ♢ ik heb twee paar schoenen gekocht 1. het bruidspaar [twee mensen die trouwen] 2. het koninklijk paar ...