Paar
I. o. (paren), 1. tweetal bij elkaar behorende zaken, die samen een eenheid vormen: een paar schoenen, kousen; — (Zuidn.) dat is een ander paar mouwen, dat is een heel andere zaak; — tweetal lichaamsdelen die aan een normaal ontwikkeld lichaam voorkomen: een paar oren, ogen, armen, handen enz.; — ik heb nog...