Wat is de betekenis van overschot?

2018
2021-09-19
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

overschot

overschot - zelfstandig naamwoord uitspraak: o-ver-schot 1. wat nog over is ♢ er is nog een overschotje rijst van gisteren 1. een stoffelijk overschot [een lijk] 2...

Lees verder
1985
2021-09-19
Encyclopedie van Noord Brabant

Anton van Oirschot (1985-1986)

OVERSCHOT

gehucht in de Noordbrabantse gemeente Bakel en Milheeze.

1952
2021-09-19
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Overschot

s.n., oerskot (it); stoffelijk, — omskot (it).

1950
2021-09-19
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Overschot

o. en (Zuidn.) m. (-ten), 1. overblijfsel, wat over is, in wezen of aanwezig bleef van een oorspr. aantal, hoeveelheid of geheel: het overschot mijner dagen-, — van pers. : het dierbaar overschot van eenmaal talrijk kroost (Bild.); — iemands stoffelijk overschot, zijn lijk; 2. dat wat nog over of beschikbaar is na...

Lees verder
1898
2021-09-19
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Overschot

Overschot o. (-ten), overblijfsel, wat overig is: armzalig overschot van vroegeren rijkdom; iemands stoffelijk overschot, zijn lijk; — (gew.) gij hebt overschot van gelijk, gij hebt meer dan gelijk; — geen overschot hebben, nauwelijks genoeg hebben; — op den overschot zitten, bij de verdeeling van iets overschieten, niets krijge...

Lees verder