Overgaan
I. (ging over, is overgegaan), 1. over iets heen gaan, zodat men aan de andere kant komt: de brug, de straat overgaan; 2. (onoverg.) gaan van de ene plaats naar de andere, zonder dat er gedacht behoeft te worden aan de ruimte waarover de beweging plaats vindt: liedjes die van hand tot hand overgingen; — wij gaan volgende week...