Wat is de betekenis van opzicht?

2018
2021-06-23
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

opzicht

opzicht - zelfstandig naamwoord uitspraak: op-zicht 1. vanuit een bepaalde kant bekeken ♢ in dat opzicht heeft ze gelijk 1. ten opzichte van mij is hij altijd aardig [tegen mij] ...

Lees verder
1973
2021-06-23
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

opzicht

o., 1. het toezien, acht geven op iemand of iets; toezicht, hoede: het — over iets hebben; (gereformeerd protestantisme) het toezicht op de handel en wandel van gemeenteleden en ambtsdragers; 2. (-en), betrekking, het ergens op zien, aspect: in dit —; in enig, in ieder —; te dien opzichte; in alle opzichten voldoen, geheel en al;...

Lees verder
1952
2021-06-23
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Opzicht

s.n., opsicht (it); (toezicht), opsjoch (it), taforsjoch (it); in elk — yn alles, yn allen, yn alle ding, oer alle boegen, kanten, oan alle iggen en einen, op en út; in dit, yn dizzen; in dat —, fan datoangeande, fan soks, fan dat; in veel -en, yn folie ding(en), yn follen;...

Lees verder
1950
2021-06-23
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Opzicht

o., 1. het toezien, acht geven op iem. of iets: toezicht, hoede: het opzicht over iets hebben; onder iemands opzicht staan : 2. (-en), betrekking, het ergens op zien: in dit opzicht, (Zuidn.) onder dit opzicht; in ieder opzicht; te dien opzichte; in verschillende opzichten heeft hij gelijk; — ten opzichte van, met betrekking tot, rakende: te...

Lees verder
1926
2021-06-23
Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Opzicht

beteekent de zorg voor, het toezicht, het bestuur en het beheer over, de leiding van iets hebbende. Het kerkelijk opzicht behoort tot het ambt der Ouderlingen en bestaat volgens het Formulier van bevestiging van Ouderlingen en Diakenen, enz.: 1°. in het opzicht over de gemeente, die hun bevolen is, d. i. in het toezicht of ieder zich in belijde...

Lees verder
1898
2021-06-23
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Opzicht

Opzicht - o. zorg voor of over iets, bestuur, beheer, leiding : het opzicht over iets hebben; onder opzicht van; —, (-en), betrekking, aanzien; in dit opzicht; in ieder opzicht; te dien opzichte; ten opzichte van; — met betrekking tot, rakende : ten opzichte van mij; — te mijnen opzichte, jegens mij, ten aanzien van mij; &mdash...

Lees verder