2019-10-21

opzicht

opzicht - zelfstandig naamwoord uitspraak: op-zicht 1. vanuit een bepaalde kant bekeken ♢ in dat opzicht heeft ze gelijk 1. ten opzichte van mij is hij altijd aardig [tegen mij] 2. het is in elk opzicht zijn vader [hij lijkt erg op hem] 3. ik...

2019-10-21

Opzicht

Opzicht - o. zorg voor of over iets, bestuur, beheer, leiding : het opzicht over iets hebben; onder opzicht van; —, (-en), betrekking, aanzien; in dit opzicht; in ieder opzicht; te dien opzichte; ten opzichte van; — met betrekking tot, rakende : ten opzichte van mij; — te mijnen opzichte, jegens mij, ten aanzien van mij; — (Zuidn.) uit menschelijk opzicht, uit vrees voor de menschen; menschelijk opzicht, vrees voor het oordeel der wereld.