Wat is de betekenis van opzeggen?

2018
2023-01-29
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

opzeggen

opzeggen - regelmatig werkwoord uitspraak: op-zeg-gen 1. een eind maken aan een afspraak die er was ♢ we hebben de huur van het huis opgezegd 2. het uit je hoofd zeggen of navertellen ♢ Camilla...

Lees verder
1992
2023-01-29
Hoofdlijnen Nederlands Recht

Hoofdlijnen Nederlands Recht

opzeggen

Aan de wederpartij te kennen geven dat de overeenkomst ten einde zal komen.

1973
2023-01-29
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

opzeggen

(zegde op, heeft opgezegd), 1. mededelen dat men een verbintenis enz. wil doen ophouden of van een recht of dienst geen gebruik meer wil maken: een verdrag opzeggen; de huur, een lidmaatschap opzeggen; hij is met een maand opgezegd, staat over een maand op straat; abs. met de dienstnemer als subject: hij heeft tegen 1 febr. opgezegd; iemand de vrie...

Lees verder
1952
2023-01-29
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Opzeggen

v., opsizze.

1950
2023-01-29
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Opzeggen

(zegde, zeide op, heeft opgezegd), 1. mededelen dat men de genoemde aangegane verbintenis enz. wil doen ophouden of van een recht of dienst geen gebruik meer wil maken: een verdrag, een wapenstilstand opzeggen; de huur, een lidmaatschap opzeggen ; aan een dienstbode de dienst opzeggen; — vand. ook met een persoon als object: een knecht opzeg...

Lees verder
1937
2023-01-29
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

opzeggen

zeide op, h. opgezegd of opgezeid (1 uit het hoofd zeggen; 2 afzeggen; ontzeggen, verklaren, dat men niet langer zich aan iets houdt, er mee gediend is; 3 spreken, zeggen): 1. een gedicht opzeggen; 2. een knecht de huur opzeggen; de krant opzeggen; iem. het vertrouwen opzeggen; met een maand opzeggen; 3. zeg op, wat is er.

Lees verder
1930
2023-01-29
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

opzeggen

('op) (zei, zegde op; zeiden, zegden op; heeft opgezegd) 1. verklaren dat men een verbintenis als geëindigd beschouwt: een verdrag, een dienstbetrekking, de dienst, de huur, het lidmaatschap van een vereniging -; iemand de vriendschap -. Syn. verbreken. Tgst. → aangaan. 2. uit het hoofd zeggen : de les -. 3. voordragen : een gedich...

Lees verder
1898
2023-01-29
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Opzeggen

Opzeggen - (zegde, zeide op, heeft opgezegd, -gezeid), beginnen te zeggen : zeg op, wat er gebeurd is; — uit het hoofd zeggen : versjes, eene les opzeggen; — zeggen, spreken; — intrekken, herroepen, afzien van, niet voortzetten (eene overeenkomst) : de huur opzeggen, verklaren, dat men niet langer in eene woning enz. blijft of b...

Lees verder