Wat is de betekenis van optuigen?

2024-07-20
Prisma Groot Woordenboek Nederlands

Unieboek | Het Spectrum (2024)

2024-07-20
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

optuigen

optuigen - regelmatig werkwoord uitspraak: op-tui-gen 1. alles wat erop hoort, vastmaken ♢ ze hebben het schip opgetuigd 2. jezelf mooi aankleden en opmaken ♢ waarom heb je je zo mooi opgetuigd?...

2024-07-20
Watersport A-Z

Kramer en de Bruin (1971)

Optuigen

Optuigen - 1. Het hijsen van de zeilen, nadat ze aangeslagen zijn. 2. Het aan boord brengen van de hele tuigage in het begin van het seizoen: mast en rondhouten, staand en lopend want en de zeilen en huiken; alles klaar maken om te gaan varen noemt men ook optuigen.

2024-07-20
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Optuigen

v., optuge, -tugje; (van paard), opteamje.

2024-07-20
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Optuigen

(tuigde op, heeft opgetuigd), 1. (scheepst.) de verschillende delen van het tuig op hun plaats brengen : een schip optuigen, alles aanbrengen en rangschikken, wat tot de tuigage behoort; 2. (van een trek- of rijdier) het tuig aanleggen: een paard optuigen; 3. (personen) uitdossen: wat hebben ze hem raar opgetuigd.

2024-07-20
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

optuigen

tuigde op, h. opgetuigd (1 scheepst. de verschillende delen van het tuig op hun plaats stellen, optakelen; 2 een trekdier het tuig aandoen; 3 opdirken, opschikken): 1. een schip optuigen; 2. een paard optuigen; 3. wat is (refl. heeft zich) die boerin mooi opgetuigd!

2024-07-20
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

optuigen

('op) (tuigde op, heeft opgetuigd) 1. van tuigage voorzien: een schip -. 2. tuig aanleggen: een paard -. 3. uitdossen: wat ben je raar opgetuigd! zich -.

2024-07-20
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

optuigen

(tuigde op, heeft opgetuigd), 1. de verschillende delen van het tuig op hun plaats brengen: een schip optuigen, alles aanbrengen en rangschikken wat tot de tuigage behoort; een kerstboom optuigen, er de traditionele versiering in aanbrengen; 2. (een trekof rijdier) het tuig aanleggen: een paard optuigen; 3. (personen) uitdossen (alleen in ongunst...

Wil je toegang tot alle 11 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-07-20
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

Optuigen

Optuigen - (tuigde op, heeft opgetuigd), een schip optuigen, alles aanbrengen en rangschikken, wat tot de tuigage behoort; een paard optuigen, tuig aanleggen; (personen) uitdossen : wat hebben ze hem raar opgetuigd. OPTUIGING, v. (-en).