Wat is de betekenis van opstaan?

2018
2021-01-20
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

opstaan

opstaan - onregelmatig werkwoord uitspraak: op-staan 1. gaan staan, overeind komen ♢ in de tram stond ik op voor een oude dame 1. opgestaan, plaats vergaan [als je wegloopt, ben je je plaats kwijt]...

Lees verder
1973
2021-01-20
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

opstaan

(stond op, is en heeft opgestaan), 1. recht staan, rechtstandig zijn; overeind staan: opstaande graanschoven; 2. gaan staan, oprijzen: van de grond, van zijn stoel —; met vallen en komt hij er, na velerlei mislukking; (zegsw.) opgestaan, plaats vergaan, wie opstaat, is zijn zitplaats kwijt; ergens niet voor —, er geen bijzondere moeite...

Lees verder
1950
2021-01-20
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Opstaan

(stond op, is en heeft opgestaan), 1. recht staan, rechtstandig zijn; overeind staan: opstaande graanschoven ; vgl. Opstaand ; 2. gaan staan, oprijzen : van de grond, van de stoel opstaan ; — met vallen en opstaan komt hij er, na velerlei mislukking ; — (zegsw.) opgestaan, plaats vergaan, wie opstaat is zijn zitplaats kwijt; — vo...

Lees verder
1898
2021-01-20
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Opstaan

Opstaan - (stond op, is en heeft opgestaan), recht staan, rechtstandig zijn; — op iets staan (geplaatst of gezet zijn); — overeind staan; — zich oprichten, oprijzen, de liggende, zittende houding verlaten : van den grond, van den stoel opstaan; — ‘s morgens vroeg opstaan, het bed verlaten; — wie hem foppen (beetn...

Lees verder