Wat is de betekenis van Opsieren?

1973
2022-01-20
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

opsieren

(sierde op, heeft opgesierd), optooien, opsmukken: een verhaal opsieren.

1952
2022-01-20
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Opsieren

s., opsier(j)e, -snolkje, -stoaije.

1950
2022-01-20
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Opsieren

(sierde op, heeft opgesierd), optooien, door toegevoegde versierselen fraaier maken, van stoff. en onstoff. zaken; — iets fraaier voorstellen dan het is.

1937
2022-01-20
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

opsieren

sierde op, h. opgesierd (opsmukken, optooien): e. kamer opsieren; fig. e. verhaal opsieren.

1898
2022-01-20
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Opsieren

Opsieren (sierde op, heeft opgesierd), optooien, opsmukken. OPSIERING, v. (-en). OPSIERSEL, o. (-s, -en), wat tot opsiering dient.

Lees verder