Wat is de betekenis van Opschikken?

1973
2022-07-02
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

opschikken

(schikte op, heeft opgeschikt), 1. opzij schikken, opschuiven: wilt u een klein eindje opschikken ?; 2. versieren.

Lees verder
1952
2022-07-02
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Opschikken

v., opskikke; zich —, jin optoaije, -toffelje, -pronkje, forgnisse, -gnisje.

1950
2022-07-02
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Opschikken

(schikte op, heeft opgeschikt), 1. opzijde schikken, opschuiven: wil u een klein eindje opschikken? 2. in orde schikken, brengen: hij schikte de kussens op; 3. optooien, versieren: wufte mensen schikken zich gaarne op ; zich opschikken ; zij was belachelijk opgeschikt; — (vero.) met iem. of iets opgeschikt zijn, er mooi mee zijn, er mee opg...

Lees verder
1937
2022-07-02
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

opschikken

schikte op, h. opgeschikt (1 tooien, sieren; 2 plaats maken): 1. een kamer opschikken; refl. zich opschikken; 2. wil je een beetje opschikken?

Lees verder
1898
2022-07-02
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Opschikken

Opschikken (schikte op, heeft opgeschikt), in orde schikken; in 't oog loopend tooien, versieren : wufte menschen schikken zich gaarne op; zich opschikken; zij was belachelijk opgeschikt; — plaats maken, opschuiven : kunt ge niet wat opschikken ? OPSCHIKKING, v.

Lees verder