Wat is de betekenis van Opril?

1973
2021-06-13
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

opril

[→Fr. appareille], m. (-len), oplopende weg tegen een dijk; (gew.) kluft.

1950
2021-06-13
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Opril

(<Fr. appareille), v. (-len), hellend oplopende weg om de kruin van een dijk, een verschansing enz. te kunnen bereiken.

1919
2021-06-13
uitdrukkingen

Woorden en uitdrukkingen verklaard

Opril

ook oprel, en andere vormen, = helling, oploopende weg. Een merkwaardig voorbeeld van wat volksetymologie vermag. Uit het fra. appareil ontstond het woord april voor een aangelegde schuinte, gelijkmaking; door het denken aan op(rijden) werd de a in o veranderd en sprak men van een opril of oprel; eens zoover zijnde vormde men daarnaast voor afloope...

Lees verder
1898
2021-06-13
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Opril

Opril v. (-len), een hellend oploopende weg, tegen een aarden dijk of wal gelegd, waarlangs menschen, paarden, voertuigen en vuurmonden de kruin of walgang kunnen bereiken. Zie APRIL.

Gerelateerde zoekopdrachten