Oppervlak
o. (-ken), 1. bovenste vlak, vlak dat iets naar boven begrenst; in ’t bijz. van de aarde en van de zee: het oppervlak der aarde; het onbewogen oppervlak van het meer; 2. vlak dat, vlakteuitgebreidheid die iets van buiten begrenst; alle buitenvlakken samen: het oppervlak van een kubus, van een bol.