Wat is de betekenis van opmaken?

2018
2021-09-25
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

opmaken

opmaken - regelmatig werkwoord uitspraak: op-ma-ken 1. het begrijpen uit iets anders ♢ uit zijn woorden maakte ik op dat hij moe was 2. alles ervan gebruiken ♢ ik heb al mijn geld opgemaakt...

Lees verder
1987
2021-09-25
Reclame woordenboek

Frans van Lier - 1987

Opmaken

Samenstellen van volledige pagina's uit het beschikbare materiaal (zetwerk, illustraties).

1973
2021-09-25
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

opmaken

(maakte op, heeft opgemaakt), 1. geheel opgebruiken, verteren: wij zullen vandaag maar alles opeten, opdrinken; (ongunstig) verkwisten: zijn geld en goed —; 2. (wederk.) opstaan en zich op weg begeven: zich om te vertrekken; 3. uit verschillende gegevens samenvoegen, samenstellen, opstellen: een notariële akte —; 4. uitrekenen e...

Lees verder
1952
2021-09-25
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Opmaken

v., opmeitsje; het bed —, bêdmeitsje, -skodzje; — uit, ôfnimme út.

1950
2021-09-25
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Opmaken

(maakte op, heeft opgemaakt), 1. (gew., Zuidn.) aanzetten, opstoken: laat u toch niet opmaken! 2. (wederk.) opstaan en zich op weg begeven: laat ons vroeg ons opmaken naar de wijnbergen ( Hoogl. 7 : 12); (bij uitbr.) zich gereedmaken (tot): elk maak zich op om onzen God te prijzen (Esser): 3. uit verschillende gegevens samenvo...

Lees verder
1910
2021-09-25
Handelslexicon

Handelslexicon (1910) door J. Hagers

Opmaken

Opmaken - optellen; samenstellen; in orde maken.

1898
2021-09-25
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Opmaken

Opmaken (maakte op, heeft opgemaakt), open-, losmaken, openen; — net oprollen, opvouwen; (fig., gew.) opwekken, aanzetten, opstoken; — (Zuidn.) opgemaakt spel, vooraf beraamde zaak; — verkwisten, doorbrengen : zijn geld en goed opmaken; — het bed opmaken, opschudden, het gereedmaken om. beslapen te worden; — (wev.)...

Lees verder
1898
2021-09-25
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Opmaken

zie Afleiden.