Wat is de betekenis van Oplegger?

2022
2023-01-30
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster

oplegger

(1985) (Amsterdam, politie) proces-verbaal dat enkel wordt opgemaakt voor de verzekering. • Beide rechercheurs schiften de zaken die bij hen zijn binnengekomen. Van de meeste gevallen wordt alleen voor de verzekering een proces-verbaal gemaakt - opleggen heet dat in het jargon van de Amsterdamse politie. Een hoofdstedelijke rechercheur: &bdquo...

Lees verder
2018
2023-01-30
Centraal Bureau voor de Statistiek

Begrippenlijsten van het CBS

Oplegger

Wegvoertuig voor goederenvervoer zonder vooras, dat zodanig is ontworpen dat een gedeelte van het voertuig en een belangrijk gedeelte van zijn lading op een trekker voor het wegverkeer rust. Toelichting Met ingang van september 2003 dienen aanhangwagens en opleggers te zijn voorzien van een geldig kenteken. Vanaf 2004 zijn deze categorieën opg...

Lees verder
2018
2023-01-30
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

oplegger

oplegger - zelfstandig naamwoord uitspraak: op-leg-ger 1. aanhangwagen waarvan het voorste deel steun op de trekker ♢ ons bedrijf heeft een truck met oplegger Zelfstandig naamwoord: op-leg-ger de oplegger ...

Lees verder
2016
2023-01-30
Logistiek

Logistieke begrippen omschreven.

Oplegger

Een oplegger, ook wel trailer genoemd, is een aanhangwagen die geen eigen vooras heeft waardoor een groot deel van het gewicht op de trekker rust. De oplegger kan met behulp van een kingpin op de koppelschotel van de trekker gekoppeld worden. Er gelden maximale afmetingen voor een oplegger. Zo mag de lengte, gemeten vanuit het hart van de kingpin,...

Lees verder
1990
2023-01-30
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

oplegger

oplegger - Te gebruiken voor afneembare aanhangers voor het vervoeren van vrachten; voorzien van wielen aan de achterkant, waarbij de voorkant meestal rust op de achterkant van een trekker.

1950
2023-01-30
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Oplegger

m. (-s), 1. persoon die oplegt, b.v. arbeider die granen oplegt in pakhuizen; 2. (sig.) klein blaadje tabak dat de bosjesmaker op het omblad legt, om dit sterker te maken; 3. (timm.) oplegscharnier; 4. bijwagen, volgwagen achter een tractor waarvan het voorste gedeelte steunt op de tractor; 5. opgelegd schip; 6. (veend.) langwerpige, smalle sch...

Lees verder
1898
2023-01-30
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Oplegger

Oplegger m. (-s), die oplegt enz.; — (timm.) krukhengsel, staarthengsel; — (sigarenin.) klein blaadje tabak dat de bosjesmaker op het omblad legt, om dit sterker te maken.

Lees verder