Wat is de betekenis van ophouden?

2018
2023-01-30
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

ophouden

ophouden - onregelmatig werkwoord uitspraak: op-hou-den 1. daar zijn ♢ hij houdt zich op in de bosjes 2. niet meer doorgaan ♢ het is opgehouden met regenen 1. dan h...

Lees verder
2004
2023-01-30
Woordenboek van Eufemismen

Marc De Coster

ophouden

Voor definitie zie bestuurlijk* ophouden. In het Amsterdamse Westelijk Havengebied wordt op dit moment nog gewerkt aan een loods waar straks vijfduizend mensen tegelijk kunnen worden ‘opgehouden’, een misleidende term voor ‘gevangen gezet in een doos’. Nieuwe Revu, 07-06-2000

Lees verder
1998
2023-01-30
drs. Toine van Hoof

AUTEUR VAN HET BRIDGE WOORDENBOEK - "BRIDGE OPZOEKBOEK" (UITGAVE 1998)

ophouden

Het bewust niet nemen van een slag in een kleur die door de tegenpartij is voorgespeeld. Ophouden is een veel toegepaste techniek in het af- en tegenspel van -met name- SA-contracten. De bedoeling is de communicatie van de tegenpartij te bemoeilijken dan wel geheel te verbreken. Voorbeeld:Tegen een SA-contract van zuid komt west, die geen entrees...

Lees verder
1977
2023-01-30
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans

ophouden

ophouden - het nemen van kinderen uitstellen ; het orgasme (’n tijdje) tegenhouden.

1973
2023-01-30
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

ophouden

(hield op, heeft en is opgehouden), I. (overg.) 1. rechtop, in de hoogte omhooghouden: een knot wol ophouden; op de armen omhoog-en uiteenhouden, zodat een ander de wol kan opwinden; (fig.) op een bepaald peil houden: zijn eer, stand ophouden, die hoog houden, verdedigen; 2. iets omhooghouden met de bedoeling dat er wat ingedaan wordt: zijn hand...

Lees verder
1952
2023-01-30
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Ophouden

s.n.; zonder —, oan ien tried gleed, stik wei (troch), oanienwei.

1950
2023-01-30
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Ophouden

(hield op, heeft opgehouden), I. overg., 1. rechtop-, in de hoogte-, omhooghouden: van zwakte kon hij zijn hoofd niet ophouden; die boomtak wordt met een schoor opgehouden; hou je japon wat op ; — een streng garen, katoen enz. ophouden, op de armen omhoog en uiteenhouden, zodat een ander het kan opwinden; — (fig.) zijn...

Lees verder
1937
2023-01-30
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

ophouden

I. hield op, h. (1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8). i. (6) opgehouden (1 omhooghouden; verhinderen te vallen; 2 uitsteken; 3 op dezelfde plaats houden, inz. op het hoofd houden; 4 hooghouden: op peil houden, niet kleineren; 5 terughouden, tegenhouden; belemmeren in ‘t werken, 6 eindigen, uitschelden, 7 refl. tijdelijk verblijven, vertoeven, 8 refl. zic...

Lees verder
1930
2023-01-30
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

ophouden

('op) (hield op, heeft opgehouden) I. 1. in de hoogte houden: dat touw kan dat gewicht niet -. 2. openhouden: houd de zak even op. 3. hoog houden; zijn stand, rang, fatsoen, waardigheid -: zijn eer, naam -. 4. op zijn plaats doen blijven: het water -. 5. niet doorlaten: een brief, goederen -. 6. door praten terughouden: iemand -. 7. belet...

Lees verder
1898
2023-01-30
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Ophouden

Het begrip ophouden heeft 2 verschillende betekenissen: 1. ophouden - Ophouden (hield op, heeft opgehouden), rechtop-, in de hoogte-, omhooghouden : van zwakte kon hij zijn hoofd niet ophouden; die boomtak wordt met een schoor opgehouden; houd je japon wat op; — (fig.) iemands eer ophouden, die hoog houden, verdedigen; — de eer van he...

Lees verder
1898
2023-01-30
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Ophouden

zie Aflaten, zie Eindigen.