Opeten
(at op, heeft opgegeten), 1. vaste spijs tot zich nemen, bep. zo lang eten tot er niet meer overschiet: ze heeft haar boterham met smaak opgegeten ; iets met huid en haar opeten, geheel en al; men zou dat kindje opeten zo lief is het; iem. willen opeten van liefde (ironisch), (ook) niet kunnen laten hem of haar te kussen...