Wat is de betekenis van Opdirken?

2011
2022-05-19
Spreekwoordenboek

Geschreven door Ed van Eeden

Opdirken

Voor het feest heeft ma zich opgedirkt: ma heeft zich mooi uitgedost.

1973
2022-05-19
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

opdirken

(dirkte op, heeft opgedirkt), (gemeenz.) mooi maken, vaak zonder smaak: zij ziet er echt opgedirkt uit.

1952
2022-05-19
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Opdirken

v., optakelje, -toatelje, -diggelje, -diggerje, -dosse, -toffelje, -pronkje, -tuge.

1950
2022-05-19
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Opdirken

(dirkte op, heeft opgedirkt), 1. (scheepst.) met dirken ophalen, ophijsen; 2. (gemeenz.) mooi maken, bep. zonder smaak, met overlading opschikken, optuigen: zij ziet er echt opgedirkt uit.

Lees verder
1937
2022-05-19
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

opdirken

dirkte op, h. opgedirkt ([te opzichtig] opschikken): zich opdirken, zich al te opzichtig kleden.

1925
2022-05-19
Nederlandse spreekwoorden

Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden (1923-1925) door F.A. Stoett

Opdirken

D.i. mooi aankleeden; ook opschikken, opsmukken; eig. ‘op zeeschepen de buitennok van den bezaans- of brikzeilsboom door middel van de dirken oplichten, in de hoogte halen; op binnenvaartuigen en bij de visschersvloot: de giek ophijschen door middel van de loopende dirk’. Vandaar, evenals bij optakelen en optuigen, aanklee...

Lees verder
1898
2022-05-19
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Opdirken

Opdirken (dirkte op, heeft opgedirkt), buitensporig opschikken, tooien: zij is terdege opgedirkt.