Wat is de betekenis van opbouwen?

2025-12-13
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Opbouwen

(bouwde op, heeft opgebouwd), 1. optrekken, bouwen; soms bep. herbouwen: het huis wordt weer juist zo opgebouwd als het vroeger geweest is; — (oneig., germ.) samenstellen: het weefsel is uit cellen opgebouwd; 2. (fig.) stichten, ineenzetten: een leerstelsel opbouwen; — tot stand brengen: hij breekt af, wat zijn...

2025-12-13
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

opbouwen

opbouwen - regelmatig werkwoord uitspraak: op-bou-wen 1. maken uit losse onderdelen ♢ de toren is omgevallen, nu kun je hem weer opbouwen 2. in elkaar zetten, samenstellen ♢ hoe moet je zo'n ver...

2025-12-13
Bridge Opzoekboek

drs. Toine van Hoof (2017)

opbouwen

Van de bieding: met kleine stappen naar een hoger niveau brengen.

2025-12-13
Wielersportwoordenboek

Jan Luitzen (2009)

opbouwen

(ov ww; bouwde op; h. opgebouwd) SP - in elkaar zetten, tot stand brengen, bv. conditie opbouwen. • Een koers tactisch opbouwen door de eerste 150 km in eigen tempo in het peloton te rijden, met de beslissende ontsnapping mee te gaan en de laatste 10 km in het kielzog van de snelste renner te gaan ‘hangen’, om de laatste gom met een versnelling ‘er...

2025-12-13
Atletiek- en turnwoordenboek

Jan Luitzen (2008)

opbouwen

(ov ww; bouwde op; h. opgebouwd) sp - in elkaar zetten, tot stand brengen, bv. conditie opbouwen. • Een race als de 1.500 m tactisch opbouwen door de eerste 1.100 m eigen tempo in het peloton te lopen, dan in het kielzog van de snelste renner te gaan ‘hangen’, om de laatste 20 m met een versnelling ‘erop en erover’ te kunnen gaan(JALUI)

2025-12-13
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Opbouwen

v., opbouwe.

2025-12-13
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

opbouwen

bouwde op, h. opgebouwd (in de hoogte bouwen, bouwende oprichten, optrekken; ook fig.): vandaag slechten, morgen opbouwen; fig. opbouwende critiek, die op de gebreken wijst, doch meteen op de lichtpunten.

2025-12-13
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

opbouwen

(bouwde op, heeft opgebouwd), 1. optrekken, bouwen; soms m.n. herbouwen: het huis wordt weer zo opgebouwd als het vroeger geweest is; (oneig.) samenstellen: het weefsel is uit cellen opgebouwd; 2. (fig.) tot stand brengen: hij breekt af, wat zijn voorganger opgebouwd heeft; 3. bemoedigen, beter maken: zo’n preek bouwt op; opbouwende kritiek...

2025-12-13
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

Opbouwen

Opbouwen (bouwde op, heeft opgebouwd), optrekken, herbouwen: het huis wordt weer juist opgebouwd, zooals het vroeger geweest is; — (fig.) aankweeken, bevorderen: hij breekt af, wat zijn voorganger opgebouwd heeft. OPBOUWING, v. opbouw; herstelling, (fig.) aankweeking; de opbouwing des geloofs, versterking in het geloof.

2025-12-13
Prisma Nederlands Fries

Unieboek | Het Spectrum (2025)

Wil je toegang tot alle 14 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2025-12-13
Prisma Groot Woordenboek Nederlands

Unieboek | Het Spectrum (2025)