Opbouwen
(bouwde op, heeft opgebouwd), 1. optrekken, bouwen; soms bep. herbouwen: het huis wordt weer juist zo opgebouwd als het vroeger geweest is; — (oneig., germ.) samenstellen: het weefsel is uit cellen opgebouwd; 2. (fig.) stichten, ineenzetten: een leerstelsel opbouwen; — tot stand brengen: hij breekt af, wat zijn...