2020-02-17

opbouw

opbouw - zelfstandig naamwoord uitspraak: op-bouw 1. het verbeteren van de werking of ontwikkeling van iets ♢ deze projecten zijn bedoeld voor de buurtopbouw 2. het op elkaar stapelen van onderdelen ♢ de opbouw van de toren nam niet veel tijd 3. hoe iets in elkaar zit ...

2020-02-17

Opbouw

Opbouw m. het uitvoeren van eenig bouwwerk: aan den opbouw werd 25 jaar besteed; herbouwing; herstelling; — (fig.) bevordering, aanmoediging: tot opbouw van kunsten en wetenschappen.

2020-02-17

opbouw

('ob) m. het opbouwen, opbouwen (bouwde op, heeft opgebouwd) 1. in de hoogte bouwen, bouwend oprichten: een kerk -. Tgst. → afbreken. 2. in het geloof versterken: een -de preek. 3.middelen aangeven tot verbetering : -de kritiek.