Wat is de betekenis van oorsprong?

2018
2021-10-25
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

oorsprong

oorsprong - zelfstandig naamwoord uitspraak: oor-sprong 1. het punt waar iets begint ♢ op deze berg is de oorsprong van de rivier 1. van oorsprong (bijvoorbeeld) Nederlander zijn [geboren zijn als...

Lees verder
1973
2021-10-25
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

oorsprong

m. (-en), 1. bron, aanvang, begin: de — van de Rijn; de — van een twist, aanleiding, oorzaak; (meetkunde) punt waar coördinaten elkaar snijden; 2. afkomst: zij was van Franse 3. herkomst: een koperen geldstuk, dat van vreemde was; van -, officieel stuk van herkomst van goederen.

Lees verder
1952
2021-10-25
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Oorsprong

s., oarsprong.

1950
2021-10-25
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Oorsprong

m. (-en), 1. punt waar, omstandigheid waaruit iets ontstaat, bron, aanvang, begin: de oorsprong van de Rijn; de oorsprong van een grote macht; de oorsprong van een twist, aanleiding, oorzaak; — (meetk.) punt waar de coördinaten elkaar snijden; — (fig.) de oorsprong aller dingen, God ; — de oorsprong van iemands leven, zijn va...

Lees verder
1933
2021-10-25
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Oorsprong

1° (wisk.) Coördinaten. 2° Voor oorsprong van den mensch volgens H. Schrift en dogma, ➝ Homo (sub C). 3° Oorsprong der gedachte. Onze gedachten ontspringen aan twee bronnen: een objectief („materieel”) gegeven (voorstellingsbeeld), dat ontleend wordt aan de ervaring onzer uit- en inwendige zinnen, waarbij de wetten der...

Lees verder
1916
2021-10-25
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Oorsprong

Oorsprong - zie ANALYTISCHE MEETKUNDE.

1910
2021-10-25
Handelslexicon

Handelslexicon (1910) door J. Hagers

Oorsprong

Oorsprong - ontstaan, afkomst; certificaat van oorsprong: verklaring waarin de herkomst van iets officieel, wettelijk wordt vastgesteld. Zie certificaat van oorsprong.

1898
2021-10-25
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Oorsprong

Oorsprong m. (-en), ontstaan, aanvang, begin: de oorsprong van den Rijn; hoe dat in klein begin kan wonen de oorsprong van eene groote macht; ik had het denkbeeld van liefde in zijn eersten oorsprong moeten onderdrukken; — (fig.) de oorsprong aller dingen, gezegd van God; — de oorsprong van iemands leven, zijn vader, zijne ouders; &md...

Lees verder
1898
2021-10-25
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Oorsprong

zie Afkomst, zie Bron.