Oorsprong
m. (-en), 1. punt waar, omstandigheid waaruit iets ontstaat, bron, aanvang, begin: de oorsprong van de Rijn; de oorsprong van een grote macht; de oorsprong van een twist, aanleiding, oorzaak; — (meetk.) punt waar de coördinaten elkaar snijden; — (fig.) de oorsprong aller dingen, God ; — de oorsprong van iemands leven, zijn va...