Wat is de betekenis van Oorlof?

1973
2021-06-18
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

oorlof

o., 1. vergunning, verlof; 2. (vero.; gew.) afscheid.

1950
2021-06-18
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Oorlof

o., (veroud., Zuidn.) vergunning, verlof; bep. verlof om heen te gaan ; afscheid ; ook als afscheidswoord, vaarwel: oorlof mijn arme schapen, die zijt in grote nood (Wilhelmus).

1937
2021-06-18
Woordverklaring

Dr. L.M. Metz - 1937

Oorlof

Een oud woord, dat vroeger vergunning, verlof beteekende. Met uw oorlof. In de 16de eeuw was oorlof een afscheidswoord : Oorlof mijn arme schapen, Die zijt in grooten nood. (Vaarwel uit het Wilhelmus).

Lees verder
1919
2021-06-18
uitdrukkingen

Woorden en uitdrukkingen verklaard

Oorlof

eerst verlof in ’t alg., dan verlof tot afscheid nemen, dan ook alleen afscheid; mnl. oorlof, orlof, evenals verlof een samenstelling met loof, waarvan de o-klank verkort is (vgl. hgd. Urlaub) en dat wel verwant zal zijn met gelooven ; in de afleiding veroorloven is nog een open o gebleven, terwijl van verlof ook het rnv. verloven luidt. Oor...

Lees verder
1898
2021-06-18
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Oorlof

Oorlof o. (veroud.) vergunning, verlof; verlof om heen te gaan; afscheid; ook als afscheidswoord, vaarwel: oorlof mijn arme schapen, die zijt in grooten nood.

Gerelateerde zoekopdrachten