Wat is de betekenis van Oor?

2024-02-21
Bijbels Lexicon

Karina van Dalen-Oskam & Marijke Mooijaart (2017)

Oor

Wie oren heeft om te horen, die hore, aansporing tot het willen vatten van de betekenis van iets. Jezus besluit een parabel regelmatig met de woorden: ‘Wie oren heeft, die hore!’ (bijvoorbeeld in Matteüs 11:15, NBG-vertaling), en soms met de uitgebreidere versie ‘Wie oren heeft om te horen, die hore’ (Marcus 4:9, NBG-vertaling; de NBV heeft op deze...

2024-02-21
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

oor

oor - zelfstandig naamwoord 1. elk van de twee organen waarmee je hoort ♢ bij het douchen kwam er water in mijn oor 1. ik ben tot over mijn oren verliefd [heel erg dus] 2. het i...

2024-02-21
Jargon & Slang van Journalisten en zetters

Marc De Coster (2017)

Oor

Oor - kleine advertentieruimte links of rechts van de kop van een dagblad. In het Engelse vakjargon noemt men de kleine ruimte met weersinformatie de weather ear.

2024-02-21
Ingenieurs begrippenlijst

Sonus raadgevende ingenieurs (2017)

Oor

Het oor is het orgaan dat geluidgolven omzet in een signaal in de gehoorzenuw dat door de hersenen als geluid wordt ervaren.

Wil je toegang tot alle 20 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-02-21
Dokterswoordenboek

Jannes van Everdingen en Arnoud van den Eerenbeemt (2010)

oor

Zintuig waarmee je kunt horen en je je evenwicht kunt bewaren. Het oor bestaat uit drie onderdelen: het uitwendige oor, het middenoor en het binnenoor. Het uitwendige oor bestaat uit de zichtbare oorschelp en de gehoorgang. De gehoorgang eindigt bij het trommelvlies, dat door geluid erop gaat trillen. Achter het trommelvlies ligt het middenoor, waa...

2024-02-21
Popmuziek Encyclopedie

Jan van der Plas & Mike Schepers (2003)

OOR

Nederlands invloedrijkste muziekblad. Opgericht in 1970 als Muziekkrant Oor. De opkomst van het blad loopt parallel met het toenemende belang van albums in de popmuziek. Het verhaal van een plaat en een artiest wordt belangrijker en dus valt er meer over te schrijven. Van begin af aan staat Oor voor een volwassen vorm van popjournalistiek, waarbij...

2024-02-21
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema (2003)

oor

- op twee oren slapen, gerust, zonder zorgen zijn. STVV uit de degradatiezone houden en hij kan op twee oren slapen. LN, 01-08-2002.- iemand de oren afzagen, iemand de oren van de kop zagen, zeuren, zaniken. - iemand (een draai) rond zijn oren geven, slaan, iemand (een draai) om zijn oren geven. - van zijn oren maken, zi...

2024-02-21
Molenwoordenboek

B.D. Poppen (2000)

Oor

Uitstekende constructiedelen van houten achtkant in sommige Zuid-Hollandse watermolens onder het boventafelelement waarneembaar (o.a. in Delfland).

2024-02-21
Dromen encyclopedie

Fink (1998)

Oor

Een vrouwelijk symbool, waarbij het doorprikken van het oorlelletje op de defloratie zou kunnen wijzen. Wanneer men zich in een droom aan het oorlelletje getrokken voelt, dan wil het onbewuste ons vermoedelijk op een persoon of een aangelegenheid in het dagelijkse leven attent maken, aan wie of waaraan we meer aandacht zouden moeten schenken. Degen...

2024-02-21
Vloeken lexicon

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg (1997)

oor

Mullebrouck (1984) kent voor Vlaanderen de volgende rijmende verwensing: kus mijn oor, loop naar de foor; kus mijn gat, loop naar de stad; kus mijn ende, loop naar Oostende! Het zelfstandig naamwoord foor betekent ‘kermis, jaarmarkt, markt’. En met ende wordt ‘achterwerk’ bedoeld. De verwensing drukt min...

2024-02-21
Prisma van de symbolen

Hans Biedermann (1992)

oor

een lichaamsdeel met een verrassend grote symbolische betekenis. ‘Door het horen van het oor wordt het innerlijk van de mens geschokt’ (Hildegard van Bingen). Het oor gold sinds de Oudheid als zetel van het geheugen.

2024-02-21
Art & Architecture Thesaurus

Getty Research Institute (1990)

oor

oor - Uitsteeksels waaraan een voorwerp kan worden vastgehouden of ondersteund; kan voorzien zijn van een kleine opening voor een draagriem.

2024-02-21
Reclame woordenboek

Frans van Lier (1987)

Oor

Ruimte naast de naam van een krant (zie ook oor-advertentie).

2024-02-21
Lexicon der Natuurgeneeskunde

Ernst Meyer Camberg (1981).

Oor

gehoor- en evenwichtsorgaan. De opening naar buiten toe is omgeven door de oorschelp, die uit kraakbeen bestaat. De uitwendige gehoorgang leidt naar het middenoor, dat afgesloten wordt door het trommelvlies, dat schuin staat. Het middenoor is een kleine ruimte die tussen het trommelvlies en de benige wand van het binnenoor (labyrinth) ligt.Naar ond...

2024-02-21
Zuidnederlands Woordenboek

Walter De Clerck (1981)

oor

In versch. verb., uitdr., zegsw. enz. die in de standaardt. niet (meer) voorkomen: met oren en poten (iets opeten), met huid en haar; - iem. de oren afzagen, de oren van de kop zagen, iem. vervelen door onophoudelijk vragen, zaniken, zeuren; in de standaardt. wel: iem. aan de oren malen; - iem. rond zijn oren geven, iem. om zij...

2024-02-21
Biologische encyclopedie

G. Th. van Kempen (1974)

oor

gehoororgaan, bevat tevens evenwichtszintuig. Horen is eigenlijk tasten op afstand. Wormen, slakken, kreeften zijn doof en dan ook stom. Insekten die geluid maken (krekel, sprinkhaan) hebben een eenvoudig gebouwd gehoororgaan (trommelvlies met luchtruimte met zintuigcellen). Bij alle gewervelde dieren is een inwendig oor (labyrinth) aanwezig. Het...

2024-02-21
Surinaams woordenboek

J. van Donselaar (1936)

oor

: aan mijn oor bw.bep., aan mijn oren, aan mijn hoofd. Jules heb ik mijn eerste echte kus gegeven, na vier maanden zaniken aan mijn oor (Dobru 1968c: 15).

2024-02-21
Zuid-afrikaans woordenboek

H.J. Terblanche - M.A., D. Litt

oor

ore, gehoororgaan; buitenste gedeelte daarvan; oorvormige handvatsel aan koppie, beker, ens.; verby; te veel; oorkant; bolangs; langs; na; van een kant na ander; omtrent; opnuut, weer; omdat; oor en weer, wedersyds.

2024-02-21
Eerste Medisch Systematische Ingerichte Encyclopedie

Uitgeversmaatschappij A. Manteau N.V. (1954)

Oor

1. de oorschelp, zie aldaar 2. het gehoororgaan, bestaande uit oorschelp en gehoorgang, middenoor (zie aldaar) en binnenoor (zie aldaar).

2024-02-21
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Oor

s.n., ear (it); tot over zijn oren, mei op kop en earen; oren naar iets hebben, earne it ear nei hingje litte; de oren spitsen, de earen opstekke.