Wat is de betekenis van Onwijs?

2020
2021-12-08
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

onwijs

1) (1979) (jeugd) uitdrukking van waardering. Het is typerend voor jeugdtaal dat een woord met een pejoratieve klank, in dit geval onwijs, een positieve betekenis krijgt. Als versterkend bijwoord is onwijs nog steeds in trek. De VARA had in 1987 een programma onder de titel: `Drank; onwijs lekker'. Ook in reclamespots kon je de woorden onwijs en ga...

Lees verder
1999
2021-12-08
Woordenboek van Neologismen

Geschreven door Marc de Coster ©

Onwijs

Onwijs - in jeugdtaal erg goed; erg veel. Vaak in combinatie met gaaf. Sinds begin jaren tachtig. De muziek van dit duo kent geen soul. Go West maakt consumptie- annex videoclippop waarin de vorm het ruimschoots van de inhoud gewonnen heeft en die vooral bestemd lijkt voor de generatie die op haar Nikes alles onwijs gaaf vindt. Oor, 18-03-83 Kijk,...

Lees verder
1973
2021-12-08
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

onwijs

(het accent wisselt), bn. en bw. (-wijzer, -t), 1. dwaas, onverstandig: een on'wijze daad; doe niet zo onwijs'; een on'wijs iemand; 2. bw. van graad, in dwaze, hoge mate, zeer erg: je moet niet zo onwijs' hard lopen.

Lees verder
1952
2021-12-08
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Onwijs

adj. & adv., ûnwiis, healwiis, healgear, -nôch, -loun.

1950
2021-12-08
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Onwijs

bn. bw. (...wijzer, -t), 1. dwaas, onverstandig : zult gij dit den Heer vergelden, gij dwaas en on'wijs volk (Deut. 32: 6); — bw.: doe niet zo onwijs', malle jongen; 2. bw. van graad, in dwaze, hoge mate, zeer, erg: je moet niet zo onwijs' hard lopen.

Lees verder
1937
2021-12-08
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

onwijs

bn., bw.; onwijzer, meest onwijs (dwaas, onverstandig; mal): een onwijze daad; wat kijkt die jongen onwijs uit zijn ogen!

1898
2021-12-08
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Onwijs

bn. bw. (...wijzer, -t), dwaas, onverstandig : zult gij dit den Heer vergelden, gij dwaas en onwijs volk; — bw. mal: doe niet zoo onwijs, malle jongen; — in hooge mate, zeer, erg : gij moet niet zoo onwijs hard loopen. ONWIJSHEID, v. dwaasheid.

Lees verder