Wat is de betekenis van Onwijs?

1999
2021-01-15
Woordenboek van Neologismen

Geschreven door Marc de Coster ©

Onwijs

Onwijs - in jeugdtaal erg goed; erg veel. Vaak in combinatie met gaaf. Sinds begin jaren tachtig. De muziek van dit duo kent geen soul. Go West maakt consumptie- annex videoclippop waarin de vorm het ruimschoots van de inhoud gewonnen heeft en die vooral bestemd lijkt voor de generatie die op haar Nikes alles onwijs gaaf vindt. Oor, 18-03-83 Kijk,...

Lees verder
1973
2021-01-15
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

onwijs

(het accent wisselt), bn. en bw. (-wijzer, -t), 1. dwaas, onverstandig: een on'wijze daad; doe niet zo onwijs'; een on'wijs iemand; 2. bw. van graad, in dwaze, hoge mate, zeer erg: je moet niet zo onwijs' hard lopen.

Lees verder
1950
2021-01-15
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Onwijs

bn. bw. (...wijzer, -t), 1. dwaas, onverstandig : zult gij dit den Heer vergelden, gij dwaas en on'wijs volk (Deut. 32: 6); — bw.: doe niet zo onwijs', malle jongen; 2. bw. van graad, in dwaze, hoge mate, zeer, erg: je moet niet zo onwijs' hard lopen.

Lees verder
1898
2021-01-15
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Onwijs

bn. bw. (...wijzer, -t), dwaas, onverstandig : zult gij dit den Heer vergelden, gij dwaas en onwijs volk; — bw. mal: doe niet zoo onwijs, malle jongen; — in hooge mate, zeer, erg : gij moet niet zoo onwijs hard loopen. ONWIJSHEID, v. dwaasheid.

Lees verder