Wat is de betekenis van onwel?

2018
2023-02-08
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

onwel

onwel - bijwoord uitspraak: on-wel 1. niet in orde, een beetje ziek ♢ de oude man werd onwel bij het concert Bijwoord: on-wel Synoniemen gammel, ongesteld Tegenstellingen gezond, goed

Lees verder
1973
2023-02-08
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

onwel

bn., zich (op het moment) niet goed voelend, niet lekker: onwel worden; zich onwel voelen.

1952
2023-02-08
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Onwel

adj., net goed, net lekker, biroerd mâl, healnôch (en goar), healgear (en goar), net rjocht by de tiid, heal; zichvoelen, omkeard wêze; ik voel mij —, it keart my om; zeerzijn, it skjin wei hawwe.

1950
2023-02-08
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Onwel

bn., zich (op het moment) niet wel gevoelend, ongesteld: onwel zijn, worden; zich onwel gevoelen.

1937
2023-02-08
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

onwel

bn. (onpasselijk, ongesteld): zij werd in school onwel; hij gevoelt zich onwel.

1930
2023-02-08
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

onwel

(on'wel) bn. lichtelijk ziek, met de bijgedachte van een onaangenaam gevoel: zijn; zich gevoelen. Syn. → krank.

1898
2023-02-08
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Onwel

bn. ongesteld : onwel zijn, worden; zich onwel gevoelen.

1898
2023-02-08
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Onwel

zie Ziek.