Wat is de betekenis van ontzeggen?

2019
2023-01-28
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

ontzeggen

ontzeggen - Werkwoord 1. (ov) iemand iets ~: een toelating weigeren of intrekken Sinds 2009 is het mogelijk om daders van huiselijk geweld tien dagen de toegang tot hun woning te ontzeggen. 2. (refl) zich ~ afzien van het genot of gebruik van iets ...

Lees verder
2018
2023-01-28
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

ontzeggen

ontzeggen - regelmatig werkwoord uitspraak: ont-zeg-gen 1. er nee op zeggen ♢ de toegang tot de disco werd ons ontzegd 2. het niet aan jezelf toestaan ♢ hij ontzegt zich ieder pleziertje...

Lees verder
1973
2023-01-28
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

ontzeggen

(ontzegde, ontzei, heeft ontzegd), 1. betwisten, niet toekennen: talent en karakter kan niemand hem ontzeggen; 2. weigeren: iemand de toegang ontzeggen; (wederk.) afzien van: zich allerlei lekkernijen ontzeggen;ook de tuin was hun ontzegd; (recht) iemand zijn eis ontzeggen, hem ten aanzien van zijn eis in het ongelijk stellen.

Lees verder
1952
2023-01-28
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Ontzeggen

v., ûntsizze; iem. de toegang tot het huis —, immen it hûs forbiede.

1950
2023-01-28
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Ontzeggen

(ontzegde, ontzeide, heeft ontzegd, ontzeid), 1. zeggen dat iem. iets (een eigenschap) niet heeft, ze bij hem niet erkennen: talent en karakter kan niemand hem ontzeggen; 2. (iets aan iem.) weigeren, het hem niet willen geven of laten houden: iem. de toegang ontzeggen; — wederk., afzien van: het had haar gedeerd, dat hij zich...

Lees verder
1937
2023-01-28
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

ontzeggen

ontzeide, h. ontzegd, ontzeid (weigeren): iem. een recht ontzeggen, niet toekennen, betwisten; iem. de toegang ontzeggen; mijn benen ontzeggen mij de dienst; ik ontzeg u het recht om; refl. zich alle gemakken ontzeggen.

1930
2023-01-28
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

ontzeggen

(ont'seggən) (ontzei, ontzegde; ontzeiden, ontzegden: heeft ontzegd) 1. niet toekennen : talent kan men hem niet -. 2. weigeren : iemand een gunst -; zich veel voor zijn kinderen-; zich alle gemakken -. → huis.

Lees verder
1898
2023-01-28
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Ontzeggen

(ontzegde, ontzeide, heeft ontzegd, ontzeid), eene eigenschap aan iem. niet toekennen : talent en karakter kan niemand hem ontzeggen; — iets aan iem. weigeren, het hem niet willen geven of laten houden : het had haar gedeerd, dat hij zich dat alles ontzeggen moest alleen om haar; zich alle genot ontzeggen, zich daarvan spenen; — niet t...

Lees verder