Wat is de betekenis van ontucht?

2024-02-28
AI woordenboek

ChatGPT (2023)

ontucht

ontucht is een juridische term die verwijst naar seksuele handelingen die als immoreel, ongepast of onwettig worden beschouwd, meestal vanwege de context, de betrokken partijen of de omstandigheden. In veel rechtsstelsels wordt ontucht beschouwd als een strafbaar feit, vooral wanneer het gaat om seksuele handelingen met minderjarigen, dwang, misbru...

2024-02-28
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

ontucht

ontucht - Zelfstandignaamwoord 1. (seksualiteit) seks die tegen de heersende moraal ingaat Er is gisteren een 34-jarige man opgepakt wegens het plegen van ontucht. Woordherkomst Afgeleid van tucht met het voorvoegsel on- Uitdrukkingen en gezegden ♦ on...

2024-02-28
Dokterswoordenboek

Jannes van Everdingen en Arnoud van den Eerenbeemt (2010)

ontucht

Het doen van seksuele dingen die strafbaar worden gevonden. Dit woord wordt gebruikt door politiemensen en rechters, niet door dokters. Kijk ook bij seks, geslachtsverkeer.

2024-02-28
Lesbotaal Lexicon Lesbiaans : lexicon van de lesbotaal

Hanneke Kunst en Xandra Schutte (1991)

Ontucht

Ontucht - in ontucht bedrijven, ontuchtige handelingen verrichten, voorheen gebruikt om seks tussen vrouwen te stigmatiseren, tegenwoordig ironisch gebruikt voor vrijen.

Wil je toegang tot alle 16 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-02-28
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans (1977)

ontucht

ontucht - zedeloosheid, bandeloosheid, onkuisheid, in het bijz. verboden geslachtsverkeer. Dat Janmaat... niet héél jyn in zyne pretjes is, en het zuur gewonnen geld in baldaadigheid en ontucht verteert, Blank. 1, 83 [1787].

2024-02-28
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Ontucht

s., ûnseedlikens.

2024-02-28
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Ontucht

v., onkuisheid, losbandigheid; inz. verboden of veile geslachtsgemeenschap: het zuur gewonnen geld in baldadigheid en ontucht verteren; ontucht plegen; huizen van ontucht, bordelen.

2024-02-28
De Kleine Winkler Prins

Winkler Prins (1949)

Ontucht

handelingen, die het geslachtelijk leven betreffen en die op zichzelf of door omstandigheden het algemeen zedelijkheidsgevoel krenken. O. is in het algemeen strafbaar, indien zij is geschied met een minderjarige, of met een lid der andere sexe tegen zijn wil (Ned. Sw., artt. 246 e.v.).

2024-02-28
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

ontucht

v. (onkuisheid).

2024-02-28
Encyclopedie voor Iedereen

John Kooy (1933)

Ontucht

handelingen, die in strijd zijn met de goede zeden of de openbare orde, ter beoordeeling d/d rechter.

2024-02-28
Katholieke Encyclopaedie

Uitgeverij Joost van den Vondel (1933-1939)

Ontucht

➝ Onkuischheid; Zedendelicten.

2024-02-28
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

ontucht

(’on) v. onkuisheid, zedeloosheid :- plegen; een huis van -.

2024-02-28
Christelijke encyclopedie

F.W. Grosheide (1926)

Ontucht

Onder ontucht verstaan wij iets anders dan tuchteloosheid. Dit laatste duidt aan, dat de tucht ontbreekt; dat het leven niet meer onderworpen wordt aan ’s Heeren ordinantiën: dat de geest niet meer de begeerten van het vleesch beheerscht, en men naar ’s Heeren wet, en de regelen, welke Hij heeft gegeven, niet langer luistert. Ontuc...

2024-02-28
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

ontucht

v./m., onkuisheid; seksuele handeling die in strijd wordt geacht met wettelijke of ethische normen. Het Ned. WStr kent een aantal delictsomschrijvingen waarin de termen ‘ontucht plegen’ dan wel ‘plegen van ontuchtige handelingen’ voorkomen, zonder evenwel deze begrippen te definiëren. De gedragingen die blijkens de rech...

2024-02-28
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

Ontucht

v. onkuischheid, onzedelijkheid; inz. onkuische handelingen, verboden lijfsgemeenschap : het zuur gewonnen geld in baldadigheid en ontucht verteren; ontucht plegen; huizen van ontucht, bordeelen.

2024-02-28
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Ontucht

Ontucht, v. gmv. onzedelijkheid, zedeloosheid, onbetamelijkheid, verregaande onfatsoenlijkheid, onkuischheid; huis van -, bordeel. *-ELIJK, *-IG, bn. en bijw. (-er, -st), *-IGLIJK, bw. onzedelijk, zedeloos; onbetamelijk; onkuisch, gemeen. *-IGHEID, v. (...heden), ontucht; ontuchtige handeling.