Wat is de betekenis van Onpasselijk?

2004
2021-01-15
Woordenboek van Eufemismen

Marc De Coster

onpasselijk

misselijk; braakneigingen vertonend. Vroeger in een ruimere opvatting: ‘niet lekker’. De meer eufemistische betekenis ontstond in de negentiende eeuw en vinden we bijvoorbeeld terug bij de Vlaamse schrijfster Virginie Loveling. Wetenschappers aan een universiteit moet je niet opzadelen met gebruikersgroepen en afnemers van kennisprodukten. Bij het...

Lees verder
1973
2021-01-15
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

onpasselijk

bn. (-er, -st), onwel, geneigd tot braken, misselijk: worden; ook fig.

1950
2021-01-15
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Onpasselijk

bn. (-er, -st), onwel, geneigd tot braken, misselijk: onpasselijk worden.

1898
2021-01-15
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Onpasselijk

bn. (-er, -st), onwel, geneigd tot braken, misselijk : onpasselijk worden. ONPASSELIJKHEID, v. gevoel van misselijkheid.