Wat is de betekenis van ongebreideld?

2024-06-25
Prisma Groot Woordenboek Nederlands

Unieboek | Het Spectrum (2024)

2024-06-25
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

ongebreideld

ongebreideld - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: on-ge-brei-deld 1. door niets belemmerd, door niets ingetoomd ♢ ik zie bij hem een ongebreidelde hebzucht Bijvoeglijk naamwoord: on-ge-brei-deld de/het ongebreidelde .....

2024-06-25
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Ongebreideld

bn. bw., niet gebreideld, niet betoomd, niet beteugeld: de ongebreidelde hartstochten; ongebreidelde hebzucht.

2024-06-25
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

ongebreideld

(ongə'breidəlt) bn. en bw. Veroud. niet beteugeld.

2024-06-25
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

ongebreideld

(het accent wisselt), bn. en bw., niet gebreideld, niet betoond, niet beteugeld: de ongebreidelde hartstochten.

2024-06-25
Etymologisch Woordenboek

Amsterdam University Press

2024-06-25
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

Ongebreideld

Ongebreild bn. bw. niet gebreideld, niet betoomd, niet beteugeld: de ongebreidelde hartstochten.

2024-06-25
Prisma Woordenboek Nederlands

Unieboek | Het Spectrum (2024)

Gerelateerde zoekopdrachten