Oneffene
I. -effen, bnw. 1) Oneffen, ongelijk; als znw., oneffenheid, bult, bochel. 2) ongelijkmatig, niet bij elkaar behoorende of passende. 3) oneven, van getallen. 4) overkompleet, overtollig. (— Oneffenheit). II. bijw. 1) Oneffen, ongelijk. 2) ongelijkmatig, onbillijk. 3) op eene ruwe, lompe manier.